Podcast Hou van je lijf, maar dan echt hè
Aflevering 4: Hou van je rug
In je onderrug zit je oervertrouwen, je oergeborgenheid. Hoe krijg je daar toegang toe?
Vorige keer vertelde ik over het hart: dat we een hart hebben om pijn te transformeren tot liefde. Maar je kunt dat ook breder trekken. We leven in een universum van tegenstellingen en ons lichaam hebben we om die tegenstellingen te verenigen.
De voorkant van je lichaam gaat over ja zeggen, jezelf openen, ontvankelijkheid. De achterkant van je lichaam gaat over nee zeggen, iets of iemand de rug toekeren. Een gezonde, soepele rug kan dat goed. Maar als er een nee in je ziel zit dat je niet durft te uiten, of waarvan je je niet bewust genoeg bent om het te uiten, kun je dat vroeg of laat in je rug gaan voelen. De rugspieren en het bindweefsel spannen zich en uiteindelijk kun je rugklachten krijgen.
Of je hebt een afwijzing gekregen van iemand anders. Ook zo’n nee kan in je rug gaan zitten, als je de pijn ervan niet durft toe te laten in je hart.
Heel veel mensen hebben rugklachten. Dat heeft natuurlijk ook te maken met onze houding. Als we niet openlijk nee kunnen zeggen, kunnen we de neiging krijgen ons voorover te buigen om ons hart te beschermen. Dat trekken die arme spieren niet eindeloos. Een gezonde houding is met je schouders ontspannen, omlaag en iets naar achteren, zodat je borstkas zich kan openen en je met je voorkant ja kunt zeggen tegen het leven, met alle pijnlijke elementen van dien. En je rug kunt toekeren naar wat je niet wilt.
Dus als je rugpijn hebt, zou je eens kunnen onderzoeken: welk nee heb ik misschien niet uitgesproken? Welk nee durf ik niet eens helemaal aan mezelf toe te geven?
Er is een beroemd boek van de Amerikaanse arts John Sarno, Healing Back Pain. Sarno zag veel rugpijn als psychosomatisch en bedacht daarvoor de term tension myositis syndrome, later ook tension myoneural syndrome. Zijn theorie was dat onderdrukte emoties zoals woede en angst lichamelijke processen veroorzaken die pijn in spieren en zenuwen in stand houden. Hij dacht daarbij onder meer aan een tijdelijk verminderde zuurstoftoevoer. Die verklaring is niet algemeen aanvaard in de geneeskunde, maar zijn centrale inzicht – dat psychische spanning lichamelijke pijn kan beïnvloeden – is inmiddels een stuk minder vreemd dan toen hij erover begon te schrijven.
Sarno schreef dat veel mensen liever horen dat hun rugpijn iets is wat een dokter of fysiotherapeut moet oplossen. Volgens mij staan tegenwoordig veel meer mensen open voor het idee dat lichaam en psyche elkaar beïnvloeden. Als je naar deze podcast luistert, is de kans in ieder geval groot dat je holistisch denkt en dus ontvankelijk bent voor die mogelijkheid.
En dat is eigenlijk goed nieuws. Want het lijkt misschien makkelijker om je probleem bij een arts of fysiotherapeut onder te brengen, maar het is natuurlijk veel handiger als je er zelf ook iets aan kunt doen.
Sarno zei nadrukkelijk dat het er niet om gaat dat je eerst al je psychische problemen en conflicten moet oplossen. Dan kwam er nooit iemand van zijn rugpijn af, zei hij. Wat je wél kunt doen, is ervoor gaan zitten en jezelf vragen: ben ik boos op iets of iemand? Heb ik een nee in me waarvoor ik terugdeins? Omdat het ingewikkeld is? Omdat ik bang ben iemand te kwetsen of te verliezen?
En dan kun je als het ware tegen je rug zeggen: “Dank je wel, rug, heel lief dat je me op deze manier wilde helpen. Maar ik kan het probleem nu onder ogen zien, dus je kunt ontspannen.”
Vervolgens kun je bedenken wat voor constructiefs je met dat nee kunt doen, in plaats van het op te slaan in je rug.
Als onze voorkant er is voor het ja, onze rug voor het nee en ons hart liefde kan maken van pijn, dan zie je daaraan al waar we ons lichaam voor hebben: om ons te helpen tegenstellingen te verenigen. We leven in een universum van tegenstellingen. Donker en licht, koud en warm, moeilijk en makkelijk. Op zichzelf is dat helemaal geen probleem. De zon gaat op, de zon gaat onder. Maar wij mensen maken er een probleem van zodra we zeggen: het één is goed en het ander is slecht.
In Genesis staat dat in mythische vorm beschreven: we eten van de boom van kennis van goed en kwaad. Vanaf dat moment maken we onderscheid en verlaten we het paradijs van het onvoorwaardelijke bewustzijn waarin alles er mag zijn zoals het is.
Ons lichaam heeft daar nog iets van bewaard. Lichamen protesteren niet als er cellen sterven en juichen niet als er nieuwe cellen geboren worden. Je lichaam vindt eten prettig en poepen ook. Erin is fijn, eruit ook. Het hart ontvangt zuurstofrijk én zuurstofarm bloed en houdt beide stromen zorgvuldig gaande.
Een lichaam is niet óf-óf. Het is altijd en-en. Het is nooit alleen maar ziek; er zijn ook altijd processen die gezond functioneren of bezig zijn met herstel. Het is nooit alleen maar lelijk; er is altijd ook schoonheid.
En volgens mij zijn we ook niet uitsluitend mannelijk of uitsluitend vrouwelijk. De Zwitserse psychiater Carl Gustav Jung sprak over de anima, het vrouwelijke in de man, en de animus, het mannelijke in de vrouw. Dat idee ontwikkelde hij mede in gesprekken met zijn collega Maria Moltzer.
Als je wat rijper wordt, vaak vanaf een jaar of vijftig maar soms veel eerder, kun je die andere kant van jezelf steeds meer ontwikkelen. Dan word je een heel mens. Ik merk dat zelf ook. Ik ben boven de zeventig en voel me niet meer zo speciaal een vrouw: ik voel me vooral een mens. Oké, ik geef nog steeds veel geld uit aan mijn haar, maar ik wil net zo goed kwaliteiten ontwikkelen die traditioneel mannelijk worden genoemd: zelfstandigheid, risico’s durven nemen, mijn eigen koers varen. En oude mannen zijn echt alleen maar leuk als ze ook traditioneel vrouwelijke kwaliteiten hebben ontwikkeld: aandacht, zorgzaamheid, oog voor details.
Daar gaat het mij om: niet kiezen voor de ene helft en de andere afwijzen, maar de tegenstellingen in jezelf steeds meer met elkaar verzoenen.
Terug naar de rug.
Er is nog veel meer over te vertellen. Het onderste gedeelte van je rug, rond je heiligbeen, staartbeen en billen, heeft voor mij te maken met oervertrouwen en oergeborgenheid. Veel mensen zijn daar met hun bewustzijn uit weggetrokken. Door wat er thuis gebeurde, door school, door alles wat ons naar ons hoofd en naar de buitenwereld trekt.
Maar je kunt terugkeren. Je kunt je weer bewust worden van je onderrug en je billen.
Ik las ooit op Facebook een grap van een Amerikaan die schreef dat bij de ontwikkeling van het embryo het eerste begin van het spijsverteringskanaal uitgroeit tot de anus. “That’s why we’re all such assholes,” schreef hij erbij. Grappig – en er zit embryologisch een kern van waarheid in, al is het natuurlijk ingewikkelder dan dat.
Interessant vind ik dat dit doet denken aan de oosterse ideeën over kundalini-energie, die als een opgerolde slang aan de basis van de ruggengraat wordt voorgesteld. Kundalini is vormkracht, aardekracht, materie, het vrouwelijke.
Daar, onderaan je ruggengraat, kun je iets ervaren van het diepe innerlijke weten van je lichaam: ik ben van aarde gemaakt. Ik ben van de aarde. Ik hoor erbij. Ik kan er niet afvallen, wat er ook gebeurt.
We zijn letterlijk opgebouwd uit wat de aarde ons geeft. Alles wat we eten en waaruit ons lichaam zich vormt, komt linksom of rechtsom uit de aarde. Wij zijn wandelende, omgevormde buideltjes aarde, opgekomen uit de aarde, en op een dag keren we ernaar terug. En dat is helemaal goed.
Hoe meer je met je bewustzijn aanwezig bent in je onderlichaam, hoe beter je kunt voelen: ik hoor erbij, wat er ook gebeurt. Daar word je autonoom van. Het kan je minder schelen wat anderen van je vinden of over je zeggen.
In mijn praktijk heb ik een tegeltje waarop staat: “Wat zit ik lekker.” Dat is om mensen eraan te herinneren: hoe zit ik er eigenlijk bij? Zijn mijn billen gespannen?
Als dat zo is, ga je natuurlijk niet bars je billen bevelen dat ze moeten ontspannen. Dat is alleen maar weer een onmogelijke opdracht boven op de stapel onmogelijke opdrachten die je al hebt. Je merkt het alleen op, met begrip: aha, mijn billen zijn gespannen.
En vaak komt er dan vanzelf al iets meer ruimte. Aandacht ontspant.
Een andere praktische tip is een spijkermatje. Dat is een platte mat met honderden kleine plastic stekeltjes waarop je met je blote rug gaat liggen. In het begin doet het pijn. Echt pijn. Maar de stekeltjes prikken niet door je huid; ze geven een sterke prikkel aan je rug en stimuleren plaatselijk de doorbloeding.
Als je daarna voorzichtig van de mat afkomt, ben je ineens heel bewust van je rug. Je hébt een rug. Je voelt hem.
En je rug vindt dat heerlijk: gevoeld worden. Er zijn in je bewustzijn.
Sinds ik elke dag even op mijn spijkermatje lig, heb ik eigenlijk nooit meer lage rugpijn gehad, terwijl ik daar vroeger vaak last van had. Ik doe natuurlijk ook andere dingen voor mijn rug: rechtop lopen, mijn schouders ontspannen, mijn boosheid en angst erkennen. Maar dat spijkermatje helpt mij ook.
Als je ermee begint, doe het rustig: eerst heel kort, voorzichtig erop gaan liggen en er weer af rollen, en langzaam opbouwen. Je kunt ook een spijkerkussentje voor je nek gebruiken. Sommige mensen ontspannen daar zo sterk op dat ze erop in slaap vallen.
Je kunt gewoon googelen op spijkermatje; er zijn allerlei merken en uitvoeringen.
En iedereen weet: nekken kunnen óók wel wat ontspanning gebruiken. Daar gaat de volgende aflevering over: nek, schouders, armen en handen.