Podcast Hou van je lijf maar dan echt hè
Aflevering 5: Hou van je nek, schouders, armen en handen
We zijn allemaal als losbol geboren, hoe komen we dan aan die stijve nek? En: hoe losser je schouders, hoe meer bewegingsvrijheid
Je hoofd is het hoofdkwartier, zeggen ze in Rebalancing-kringen, en je nek is de controletoren. Bijna iedere nek die ik op mijn massagetafel in mijn handen neem, is gespannen; er zitten spierknopen aan weerszijden. Die kun je zo voelen. Bij jezelf ook, voel maar.
Als ik een hoofd optil, merk ik ook vaak dat de nek het meteen overneemt, zo van: ‘O, ze wil dat ik mijn hoofd optil. Dan zal ik dat even doen.’ En als ik dan zeg: ‘Laat maar gewoon hangen, je hoofd’, duwen ze hun hoofd naar beneden.
Dat is controle willen houden. Hoofden willen de baas zijn.
Het schijnt dat het daarom alleen al goed is om af en toe te buigen, een diepe buiging te maken voor iets wat je respecteert: iemand anders, of een heiligenbeeld of zo. Daarmee zeg je als het ware: ‘Mijn hoofd kan ook een lagere positie innemen; dan komt mijn hart bovenaan te staan.’ Dat is ook heel ontspannend voor je nek.
De touwladderspieren, musculi scaleni, die je nek helpen bewegen en stabilisere,, worden in de massagewereld wel ‘the Scaleni brothers’ genoemd, alsof ze uit de maffia komen. Zulke harde jongens zijn het.
Het is natuurlijk geen wonder. We zijn allemaal als losbolletjes geboren. Kijk maar eens naar het soepele nekje van een baby. Maar daarna worden we allemaal zo gebombardeerd met ‘dit moet’ en ‘dat mag niet’, dat we steeds meer controle inbouwen in onze nek. Dat hebben we allemaal op onze nek zitten, zeg maar.
Maar volgens mij is het de bedoeling dat we bij het ouder worden weer een losser nekje krijgen, een beetje meer een losbol worden: ontspannen genieten van het leven en niet meer proberen om alles onder controle te hebben.
Wat je alvast kunt doen, is je voorstellen, visualiseren dus, dat je hoofd een waterlelie is die dobbert op het water. Ga ervoor zitten, laat je hoofd zachtjes zijn eigen evenwicht vinden, al dobberend en heel zachtjes wiebelend. Dat ontspant je nek.
Daarnaast kun je voor je nek natuurlijk ook die Basic Exercise doen die ik al eerder noemde, die ik de ‘Oh my God’ noem: je ogen helemaal naar rechts tot je moet zuchten of geeuwen of gapen. En dan helemaal naar links. Ook nog even naar boven kijken en naar onder. En ontspan.
En laat je schouders zakken. De meeste schouders staan een beetje te hoog gespannen.
Onze schouders doen ontzettend veel voor ons. Het zit ook in de taal: je zet je schouders ergens onder, je laadt iets op je schouders, of iemand anders laadt iets op jouw schouders.
Als ik in mijn rebalancingpraktijk een hand onder een schouder breng, gaat zo’n schouder soms alvast gedienstig een beetje omhoog.
‘Ah, je gaat helpen,’ zeg ik dan. De meeste mensen gaan dan lachen, een beetje gegeneerd. Dan vraag ik: ‘Heb je als kind goed opgelet wat je moeder of je vader van je wilde? Was je altijd bezig om te zorgen dat ze je niet zouden afkeuren of afwijzen?’
Ja, meestal wel dus.
Daarom noem ik dat gedrag, dat onbewuste vóór zijn, helpen, parentificatie in het lichaam. Parentificatie betekent dat je als kind voor je ouders hebt gezorgd. Het is eigenlijk heel treurig: een kind dat steeds op zijn hoede moet zijn, moet opletten of mama wel gelukkig is, of het wel doet wat de ouders willen, of het geen afkeuring krijgt.
Maar als je je daar bewust van wordt, als je de pijn ervan in je hart toelaat, kun je beter ontspannen.
Schouders gaan over bewegingsvrijheid. Het schoudergewricht zit zo fantastisch knap in elkaar dat je je armen alle kanten op kunt bewegen. Als je je schouders vastzet, komt dat meestal doordat je bent gaan geloven dat je niet alle kanten uit kunt, of mag. Dat je alleen maar dit ene soort werk kunt doen, enzovoort.
Als je je schouders ontspant en er ruimte in toelaat, krijg je ook in je ziel het gevoel van vrijheid. ‘Hé, ik zou natuurlijk ook imker kunnen worden.’ Of een podcast maken, of emigreren, of een stichting oprichten… iets waarvan je dacht dat het niet voor jou was weggelegd.
Je schouders ontspannen doe je door er met je bewustzijn naartoe te gaan, met je aandacht. Want aandacht ontspant. Gebrek aan aandacht spant.
Zitten je schouders vast, dan moet je eerst door die moeilijke fase van bewust onbekwaam heen. Ken je die vier fases? Eerst doe je iets onbewust onbekwaam: je weet niet wat je doet. Daarna word je bewust onbekwaam: dan begin je het te voelen. Dan word je bewust bekwaam: je gaat heel bewust je schouders ontspannen. En vervolgens wordt het een nieuwe gewoonte. Dan ben je onbewust bekwaam.
Je moet dus eerst door die fase van bewust onbekwaam heen, en dat is eigenlijk een moeilijke fase. Het is een beetje verdrietig. Jeetje, wat zit ik vast!
En je moet ook heel veel geduld hebben. Want je lichaam doet altijd alles alleen maar om jou te helpen. Het zijn overlevingsbesluiten geweest om je schouders vast te zetten. En het lichaam kan niet bij toverslag al die overlevingsbesluiten terugdraaien en zich ontspannen. Dat is een proces. En dat proces duurt altijd langer dan we graag zouden willen.
Een praktische tip bij acute knopen in je schouderspieren is: neem een massief rubberen balletje, een stuiterbal of een triggerpointbal, zet dat tegen de muur of tegen een deur en ga ertegenaan leunen. Ik doe dat als ik lang heb zitten typen en ik voel het in mijn schouders. Ik zet een balletje tegen de muur en ga ertegenaan leunen, en ik zoek net zo lang met de bovenkant van mijn rug, door eroverheen te rollen, tot ik voel waar precies de spierknoop zit. Dat is namelijk waar het het meest pijn doet.
En dan ga ik daartegenaan leunen.
Zodat het nog meer pijn doet.
Het allerbeste is om er ook bij te kreunen of te schreeuwen. Geluid maken.
Dat werkt echt. Dat helpt echt. Na een poosje is die spierknoop toch wat zachter geworden.
Stil werk op de schouders doe ik ook heel veel in mijn rebalancingsessies. En dat onthult veel.
Stil werk betekent dat ik er alleen maar een hand op leg, en bij de schouders ook één hand eronder. Ik neem dus een schouder in mijn handen. En ik vraag de persoon op de massagetafel om er contact mee te maken, haar aandacht erin te brengen.
‘Hoe voelt het in jouw linkerschouder?’ vraag ik. ‘Vol of leeg?’
Veel mensen zeggen: ‘Leeg.’
Dan vraag ik verder. Wat voor soort leegte is dat? Is het een ruime leegte of een krap holletje? Kun je erin met je aandacht?
Doe maar net, zeg ik, of je schouder een wezentje is waarmee je contact kunt maken. Je zegt als het ware innerlijk: ‘Hallo linkerschouder. Ik heb tot nu toe niet zoveel aandacht aan je besteed, maar dat wil ik nu wel graag doen. Hoe voel je je eigenlijk?’
Hoe is het voor deze schouder, vraag ik, om jouw linkerschouder te zijn? Komt er iets in je op? Neem het eerste dat opkomt maar serieus.
Dan hoor ik bijvoorbeeld: ‘Zwaar.’ Of: ‘Eenzaam.’
Dan vraag ik: ‘Wat doet deze schouder voor jou?’
‘Dragen,’ zegt iemand dan bijvoorbeeld.
‘En wat precies moet deze schouder dragen?’
‘Ja, wat ik allemaal moet doen.’
En zo gaat het gesprek dan verder. Vaak komen er tranen. En dan zeg ik: zet je hart ervoor open. Laat de pijn naar je hart stromen. Uit je hart komt een onuitputtelijke stroom van begrip, steun en warmte. Compassie, zelfcompassie. Dat stroomt allemaal naar die schouder toe.
En tussen mijn handen voel ik zo’n schouder dan meestal echt een beetje ontspannen.
Het is natuurlijk makkelijker als je iemand hebt die je daarbij helpt, maar je kunt het ook zelf proberen. Leg één hand op de andere schouder en voel.
Als ik dat bij mezelf doe, ga ik altijd op zoek naar pijn. Ik heb helemaal geen pijnlijke schouders, het gaat tegenwoordig heel goed met mijn schouders, ze zijn best los en ontspannen. Maar toch, als ik mijn aandacht helemaal in één van mijn schouders breng, kan ik meestal wel een puntje van iets pijnachtigs voelen. Of een webje van zulke puntjes, of een soort subtiel gloeidraadje van iets pijnachtigs. En dan weet ik: ah, nu voel ik mijn schouder echt.
Dat vinden schouders heerlijk, om gevoeld te worden, erkenning te krijgen voor wat ze allemaal doen. Net als wij. Het is allemaal één, je lichaam en je ziel. Alles wat je meetorst in je ziel aan ballast en trauma zit ook in je lijf.
Het zou bijvoorbeeld ook goed kunnen dat boosheid die er niet mocht zijn, niet alleen in je rug is blijven zitten, maar ook in je armen. Vooral boosheid die je voelde toen je klein was, die je hebt moeten onderdrukken omdat de meeste kinderen niet boos mogen zijn van hun ouders.
Het is natuurlijk veel beter om tegen een boos kind te zeggen: ‘Ik begrijp dat je boos bent, natuurlijk ben je boos! Je mag niet je zusje slaan, je mag niks kapotmaken, maar je mag wel boos zijn. Hier, sla maar met je handjes op dit kussen, dat kan geen kwaad. Laat maar zien hoe boos je bent.’
Is dat niet gebeurd, zoals bij de meesten van ons, dan kan het zijn dat er chronische spanning in je armen is blijven zitten en dat je je armen niet goed kunt ontspannen. Als je boos bent, wil je slaan of wegduwen. En als dat niet kan, als je die beweging moet onderdrukken, gaat er iets vastzitten. Als het er alsnog uit mag, kan alles weer gaan stromen en veranderen en ontspannen.
Dan biedt een zwemnoodle uitkomst. Dat is de verbeterde versie van de mattenklopper. Een zwemnoodle is zo’n lange ronde staak van polyethyleen, of hoe dat ook heet, vederlicht, in felle kleuren, waar kinderen mee kunnen spelen in het zwembad. Je kunt er eentje kopen, die zijn helemaal niet duur, en dan snij je hem doormidden en heb je twee perfecte knuppeltjes om je boosheid eruit te meppen.
Ze maken een heel bevredigend hard geluid als je ermee op iets mept, en ze doen geen kwaad. Ze maken niks kapot. Je kunt het uittesten op jezelf, je kunt je eigen benen ermee slaan. Dat is alleen maar een prettig gevoel. Ook goed trouwens voor je bloedsomloop en je lichaamsbewustzijn.
Nou, en dan maar losgaan op dat kussen. Met zoveel mogelijk geluid. Je woede eruit meppen.
Ook als je ruzie hebt met je partner of zo, kun je dat heel goed uitvechten met die knuppeltjes. Op het hoofd slaan mag niet, maar verder is alles prima. Kinderen vinden dat ook heel erg leuk. Het geeft een hoop lol. Je reageert iets af zonder iemand kwaad te doen. En op het laatst sta je lachend en hijgend stil en omarm je elkaar, en dan is het allemaal weer goed.
Nou, dan zijn we bij de handen aangekomen. Is er iets handigers op aarde dan een mensenhand? Een groter wonder is bijna niet te bedenken. Of het moet de voet zijn, daar komen we in een volgende aflevering op.
Eén hand heeft 27 botjes en 13 gewrichtjes. Het is echt een waanzinnig stukje design. En je kunt er alleen maar van houden met diep ontzag en eindeloze dankbaarheid dat je ze hebt.
Als je ze hebt.
Neem het niet als vanzelfsprekend. Geniet er bewust van dat ze zo gigantisch handig zijn.
Maar met handen kun je natuurlijk ook van alles doen wat minder handig is – grijpen en graaien bijvoorbeeld. Als je te veel wilt, komt dat ook tot uiting in je handen. Soms met de beste bedoeling, hoor. Je houdt van iemand, maar je handen voelen voor die ander toch een beetje eng. Niet liefhebbend, maar begerig. Grijperig.
Of je wilt iemand helpen, maar je handen willen dat net iets te veel en dan kom je te dichtbij.
Een paar jaar geleden had ik carpaletunnelsyndroom: ik werd ’s ochtends wakker met tintelende handen, soms met een hand die helemaal dood aanvoelde. Dat was heel eng.
Ik ben natuurlijk gaan googelen. Carpaletunnelsyndroom komt vaak voor bij masseurs, en bij kappers, en allerlei andere mensen die met hun handen werken. Vooral vrouwen; één op de elf vrouwen krijgt het ooit, heb ik me laten vertellen.
De verklaring is overbelasting. Een zenuw in je pols zit klem doordat het allemaal wat opgezwollen is geraakt. Je kunt eraan geopereerd worden, maar dat is een echte operatie. Daar ben je weken zoet mee. Bovendien kan er op den duur littekenweefsel komen dat in de weg gaat zitten en dan is het allemaal voor niks.
Dat ging ik zeker niet doen.
Er is bij mij in de buurt een Carpaal Tunnel Centrum, een fysiotherapiepraktijk met machines om je polsen zachtjes uit te rekken. Daar ging ik een paar keer naartoe. Op een dag zei die fysiotherapeut: ‘Je moet ook met braces slapen. Want als je urenlang ligt te slapen met een gebogen pols, kunnen wij overdag wel trekken met die machine, maar dan krijg je toch steeds weer provocatiemomenten. Je moet je pols in een neutrale houding houden.’
Een neutrale houding…!
Het kwartje viel met donderend geraas, mag ik wel zeggen.
In mijn rebalancingopleiding hadden we het heel vaak gehad over de neutrale houding, die je moet aanleren als je met mensen werkt. We hadden er ook oefeningen mee gedaan, waarbij ik zelf gevoeld had hoe onaangenaam het is als iemand mij te erg wil helpen. Als iemand zich te ver naar mij vooroverbuigt. Te veel goed wil doen.
Dat is een beetje verstikkend. Het zuigt.
Maar achteroverbuigen en onverschillig zijn, dat is ook niet fijn, dat is koud.
Het meest heilzame, het meest helende is als de hulpverlener tegenover mij een neutrale houding heeft: rechtop, gevestigd in zichzelf en niet afhankelijk van mijn oordeel. Niet afhankelijk van of ik ga roepen: ‘O, wat doe je dat allemaal goed.’ Want als mijn therapeut alleen maar een goed gevoel heeft over zichzelf als ík heel erg goed mijn best doe en succes laat zien, dan ben ik niet vrij.
Dus de manier om mensen vrij te laten is een neutrale houding.
Het is niet hetzelfde als onverschilligheid, integendeel. Ik hou van mijn cliënten, ik doe mijn best. Maar of iemand na afloop nou blij is of teleurgesteld, dat mag natuurlijk mijn werkhouding helemaal niet veranderen. Daardoor ga ik niet meer of minder mijn best doen, meer of minder geven of meer of minder van die mensen houden.
Ja, en is dat eigenlijk niet de essentie van hoe ik wil leven? Zo autonoom en rustig in mijzelf gevestigd dat mijn eigenwaarde niet afhangt van anderen, van uiterlijke zaken. Dat wat voor mij goed voelt, wat ik wil doen, niet verandert door lof of kritiek van buitenaf. Dat ik niet gespitst ben op de buitenkant, maar op de binnenkant van mijn werk.
Nou, onze lichamen zijn dat al.
Lang verhaal kort: het carpaletunnelsyndroom verdween zoals het gekomen was, langs de mysterieuze weg van het onderbewuste dat in het lichaam zit. Maar daar had ik weer een klein beetje meer van bewust gemaakt.
In de volgende aflevering gaat het over benen en voeten.