Podcast ‘Hou van je lijf maar dan echt hè’

Aflevering 37: Hou van je hooggevoeligheid, met Wilko Iedema

Lisette Thooft: Ik ben Lisette Thooft en je luistert naar de podcast Hou van je lijf, maar dan echt hè. Verhalen, tips en informatie over je lichaam die je nergens anders hoort.

Vandaag heb ik een gast die voor mij heel bijzonder is: Wilko Iedema, een van de meest ervaren Rebalancers van Nederland. Hij was jarenlang mijn Rebalancer en heeft eigenlijk mijn leven gered. Dat zullen trouwens wel meer mensen over hem zeggen.

Wilko, welkom. Wat ontzettend fijn dat je hier bent en dat we gaan praten over een belangrijk onderwerp: hooggevoeligheid.

Wilko Iedema: Hooggevoeligheid en lichaamswerk.

Lisette: Precies: hou van je hooggevoelige lichaam.

Maar eerst wil ik je graag introduceren, omdat je zo belangrijk bent geweest in mijn leven. Ik kwam bij jou terecht op aanraden van een astroloog. Die zei: “Jij moet professioneel aangeraakt worden. Ga naar Wilko Iedema.”

Ik vond dat doodeng. Voor onze eerste afspraak was ik twintig minuten te laat. Daardoor heb ik tegenwoordig veel compassie met cliënten die te laat komen.

Wat ik bij jou meteen merkte, was dat het zo veilig was. Ik had nog nooit iemand meegemaakt met zo’n veld om zich heen van: bij mij ben je veilig, je mag voelen wat je voelt. Ik word er nog steeds ontroerd van. Wil je vertellen hoe je aan dat veld bent gekomen?

Alles wat er is, is welkom

Wilko: Ik woon met mijn vrouw Nienke in Amstelveen. Daar heb ik ook mijn praktijk, SAMO, praktijk voor Rebalancing. Rebalancing is dit jaar veertig jaar in mijn leven. Ik sta er nog steeds met dezelfde bevlogenheid in als toen ik begon.

De mensen die mij de veiligheid boden om diep in mezelf te gaan, zijn heel belangrijk voor me geweest. Bij hen kon ik alles tegenkomen wat ik niet wilde tegenkomen, waarvan ik niet wist dat het er zat, waar ik bang voor was en waar ik tegelijkertijd naar verlangde.

Zij boden mij een bedding. Dat heeft in mij doorgewerkt. Ik heb ervaren hoe belangrijk het is om bij mensen te kunnen zijn met alles wat ze in zichzelf tegenkomen, willen tegenkomen of juist nog niet durven tegenkomen.

Wanneer ik iets in mezelf ken, weet ik ook beter hoe het voor een ander kan zijn.

Lisette: Waren dat de sannyasins?

Wilko: Niet alleen. Er waren ook veel goede Osho-therapeuten.

Lisette: Over welke tijd hebben we het dan?

Wilko: Vanaf 1982.

Lisette: Jij bent nu 71 en wordt in september 72.

Wilko: Geduld is een schone zaak. En ongeduld ook.

Lisette: Die uitspraak heb ik geloof ik ooit op de Happinez-kalender gezet.

We stonden een keer in de zaal van de opleiding te wachten tot we konden beginnen. Dat duurde nogal lang. Jij zei, half tegen jezelf maar wel hardop: “Geduld is een schone zaak.” En daarna voegde je eraan toe: “Ongeduld trouwens ook.” Dat vind ik zo treffend.

Wilko: Het een is zo en het ander ook. Ik heb inmiddels weinig tot geen “maar” meer in mijn leven. Ik heb dat woord bijna uitgebannen, omdat het suggereert dat er een tegenstelling is.

Maar die tegenstellingen zijn er niet werkelijk. Het is en-en.

Wanneer we met onszelf en met andere mensen werken, hebben we te maken met de gelaagdheid van wie we zijn. Daarin bestaan allerlei ogenschijnlijke tegenstellingen. Het denken maakt daar een contradictie van. Dan wordt het een “maar”, en in dat woord zit vaak een ontkenning of een afwijzing.

Mijn houding is inmiddels: alles wat er is, is welkom. En als ik iets niet welkom kan heten, dan is ook dat welkom. Dat hoort er eveneens bij.

Lisette: Ook de weerstand.

Wilko: De weerstand, de ontkenning, het uitstellen, de angst. Het is allemaal waar. En wanneer alles er mag zijn, kan het ook worden onderzocht. Dat maakt het veilig.

Gevoelig, maar niet altijd belichaamd

Lisette: Veel mensen ontdekken tegenwoordig dat ze hooggevoelig zijn. Vaak is dat een opluchting: nu begrijp ik waarom ik zo sterk reageer.

Maar hooggevoeligheid in combinatie met lichaamswerk is een bijzonder onderwerp. Wat is jouw ervaring daarmee?

Wilko: Ik zeg regelmatig tegen cliënten: “Als ik jou zo meemaak, ben jij volgens mij heel gevoelig.”

De meesten antwoorden dat ze dat inderdaad zijn. Anderen zijn verrast. Dan vertel ik aan de hand van wat ze zeggen, hoe ze reageren en wat er in hun lichaam gebeurt, waarom ik denk dat ze gevoelig zijn. Meestal herkennen ze het dan.

Lisette: Ik zie het soms wanneer iemand al op de tafel ligt. Ik raak iemand aan en er gaat een schokje door het lichaam.

Wilko: Dat is een primaire, gevoelige reactie. Iemand zegt dan bijvoorbeeld: “O, is dat gevoeligheid?”

Ik zeg: “Je lichaam vertelt mij dat dit een gevoelige plek of reactie is. Herken je dat ook in je leven?”

Ik vind het essentieel dat hooggevoelige mensen via het lichaam beter met zichzelf in contact leren komen. Ze hebben vaak wel een grote sensitiviteit, maar weinig verankering in hun lichaam.

Lisette: Precies. En dat is ook niet zo vreemd, want een hooggevoelig kind kan het extra moeilijk hebben.

Wilko: Een hooggevoelig kind schrikt gemakkelijk terug uit het fysieke lichaam. Het trekt omhoog uit het bekken en de buik en gaat ongemerkt hoog en vast zitten.

Zo’n kind wordt vaak heel goed in denken. Dat kan een kwaliteit en zelfs een groot talent worden, in de oorsprong ontstaan om de gevoeligheid die niet of te weinig werd gezien erkend, gekoesterd en niet liefdevol werd ingebed te overleven. Lisette: Een overlevingsstrategie. Mensen gaan ook weg uit hun benen.

Wilko: Ja, alle energie trekt omhoog. De bekkenbodem verkrampt, evenals de core en de psoas.

De oorspronkelijke situatie kan allang voorbij zijn, terwijl de alarmbel nog steeds in het onderbewustzijn zit. Die kan later in allerlei situaties worden getriggerd. Dan ontstaat opnieuw die schrikreactie en vlucht je als het ware weer (even) uit je lichaam.

Wanneer je hooggevoelig bent, merk je misschien wel dat je zo’n reactie hebt, maar heb je er geen regie over.

Daarom is de contactvolle aanraking van Rebalancing zo behulpzaam, samen met het verbale onderzoek. We leren mensen om te vertalen wat ze voelen, in plaats van alleen te vertellen wat ze denken. Zo kunnen ze opnieuw leren dat het veilig is om in hun lichaam aanwezig te zijn, en erop leren vertrouwen  dat wat ze voelen en ervaren klopt.

Het woord hooggevoeligheid krijgt dan een diepere vertaling.

Je denken kan zeggen: “Ik ben hooggevoelig.” Wanneer je iets verder zakt, ontdek je: “Ik houd mijn adem in. Ik zit hoog. Ik tril. Ik ben verkrampt. Eigenlijk ben ik hartstikke bang.”

De beweging is dan van denken naar voelend in-wezig zijn.

Als je dat bewust maakt, kom je in overeenstemming met wat je werkelijk voelt. Dan kun je je verstand gebruiken om beter te voelen en jezelf daarin te ondersteunen.

Dat bedoel ik met vertalen wat je voelt, in plaats van vertellen wat je denkt of hoe je iets interpreteert. In dat laatste zit vaak nog afsplitsing en overleving. In het voelen ontstaan verbinding en verankering.

Samen aanwezig zijn bij een lichamelijke reactie

Lisette: Dat is het begin van een betere belichaming.

Ik had laatst een jonge man in mijn praktijk die bijna overal goed aanraakbaar was, behalve op zijn buik. Zodra ik zijn buik aanraakte, trok die strak samen. Later kon hij erbij blijven en ontspande zijn buik weer.

Wat doe jij wanneer een buik zo strak gaat staan?

Wilko: Dat is natuurlijk bij ieder mens anders. Ik heb daar geen vast plan voor.

Ik kan iemand erop attent maken: “Voel je dat? Ben je je bewust van die reactie?”

Daarna kan ik mijn hand opnieuw neerleggen en zeggen: “Breng je aandacht naar mijn hand. Voel je reactie. Stuur je ademhaling eens naar mijn hand toe.”

Niet om iets te veranderen, maar om daar samen aanwezig te zijn.

Zo ben ik niet iemand die iets met de cliënt doet, terwijl de cliënt het passief moet ondergaan. We hebben allebei regie. Zeker hooggevoelige mensen hebben het nodig dat ze regie ervaren of leren ontwikkelen. Ik noem dat een vorm van open controle.

Lisette: Mooi gezegd.

Wilko: Je bent dan niet langer hulpeloos overgeleverd aan de triggers van de buitenwereld. Je gaat er met je aandacht naartoe en geeft er respons op.

De reacties kunnen nog steeds ontstaan, maar je leert ze te gebruiken om te onderzoeken in plaats van er alleen het slachtoffer van te zijn.

Aanraking als toegang tot veiligheid

Lisette: Ik heb als Rebalancer weleens het gevoel dat ik een grote moederhond ben met puppy’s. Je ziet zo’n hond voor je die met haar lange tong de lijfjes van haar jongen schoonlikt. De puppy’s ontspannen helemaal en voelen zich veilig.

Iets vergelijkbaars doen wij met onze handen. Door iemand diep, traag en aandachtig aan te raken, komt er oxytocine vrij. Het gevoel van veiligheid ontstaat als vanzelf. En vanuit die veiligheid kan er ook iets anders naar boven komen.

Wilko: Wanneer mensen in een dieper gevoel van veiligheid komen, of misschien voor het eerst werkelijk veiligheid voelen, kan ook de diepere onveiligheid naar boven komen. Die wordt dan werkbaar.

De primaire veiligheid wordt een deur naar een dieper onderzoek: dieper openen, doorleven, doorvoelen en benoemen. Zo komen we steeds een laag verder.

Lisette: Dat is eigenlijk het enige wat nodig is: dat het er mag zijn.

Wilko: Ja. Alle lagen van spanning, gevoelens, triggers en emoties kunnen deuren worden naar een dieper jezelf en wezenlijke ontspanning.

Pijn uit de tijd vóór de woorden

Lisette: In het voorgesprek vraag ik bijna altijd: “Hoe was je geboorte? Hoe was het met je moeder toen je geboren werd? Hoe oud was zij? Was het een moeilijke bevalling?”

Dan komen er vaak hartverscheurende verhalen. Iemand heeft bijvoorbeeld lange tijd in een couveuse gelegen. De moeder was er niet, omdat ze ziek of depressief was.

Dan weet ik: hier zit heel oude pijn.

Wilko: Heel primaire pijn. Het gaat om ervaringen uit de pre-mentale periode. Er is wel een gevoel, maar nog geen mentale context. Er zijn geen beelden en er is geen verhaal, want dat vermogen was er nog niet.

Het is belangrijk dat mensen dat begrijpen, zeker hooggevoelige mensen. Ze kunnen intense gevoelens en reacties hebben zonder te begrijpen waar die vandaan komen. Ik vraag dan bijvoorbeeld: “Welke leeftijd heeft deze reactie voor jouw gevoel?”

Ook de prenatale fase kan een rol spelen. Een kind kan in de buik van de moeder al spanning ervaren. Soms draag je iets mee waarvan je denkt dat het van jou is, terwijl het oorspronkelijk misschien van je moeder kwam.

Dat is wel een gevoelig gebied, want er kunnen loyaliteits- gevoelens en schuldgevoelens bij komen. Mensen denken: “Dat mag ik toch niet over mijn moeder denken? Ze heeft het niet expres gedaan.”

Je kunt het uit de sfeer van schuld halen. Er hoeven geen daders te zijn.

Lisette: Dat is bij uitstek een voorbeeld van en-en. Je moeder heeft het niet expres gedaan én het is jou wel aangedaan.

Wilko: Ja. Het is als het ware met je mee gaan liften.

Omdat je als jong kind nog zo één bent met je moeder, weet je niet beter dan dat het van jou is. Op dat niveau kun je nog geen onderscheid maken.

Ik werk daar op mijn eigen manier mee. Ik heb dat niet als techniek geleerd, maar in de loop van de tijd zelf ontdekt.

Ik zeg bijvoorbeeld: “Zet je moeder van toen eens voor je neer. Stel dat jij dat heel jonge kind of dat embryo een stem kon geven die het toen nog niet had. Wat zou je dan tegen je moeder willen zeggen?”

Dan gaat het om het eerste wat in je opkomt, zonder censuur en zonder rekening te houden met je moeder.

‘Heks!’

Lisette: Dat heb je met mij ook gedaan. Ik weet het nog heel goed.

Je had in een sessie tegen mij gezegd: “Ik voel dat er woede in jou zit.”

Zelf voelde ik die woede helemaal niet. Ik ging naar huis en dacht: wat erg, hij voelt woede, maar ik kan die niet vinden.

Toen ik twee weken later terugkwam, was ik al nerveus en huilerig. Ik zei: “Jij zegt dat er woede zit, maar ik kan die echt niet voelen.”

Jij antwoordde: “Als het er niet is, dan is het er niet. Dat is toch ook helemaal prima?” Ik dacht: o, gelukkig. Ik ontspande en je begon me te masseren.

Op een gegeven moment lag ik op mijn rug en vroeg je: “Wat had je tegen je moeder willen zeggen?”

Niet ik, maar iets in mijn lichaam klapte overeind, als een duveltje uit een doosje. Met een kinderstem begon ik te krijsen: “Heks! Heks!”

Jij zei: “Dan is dit misschien het moment om even van de tafel af te komen.” Je gaf me een mattenklopper en vroeg: “Wat wil je met die heks doen?”

Ik reageerde: “Hè? Mag dat? Kan dat?”

En jij zei: “Ja, dat kan.”

Het was opnieuw en-en. Mijn moeder had enorm haar best gedaan. Ze had al onze jurkjes gesmokt, maaltijden gekookt en ons ’s avonds voorgelezen. Tegelijkertijd had ze haar trauma over ons heen gegoten: haar ervaringen in het Jappen-kamp, haar slachtofferschap en het verlies van haar eigen moeder toen ze nog veel te jong was.

Dat kon bijna niet anders. Maar het is wel gebeurd.

Die sessie was een mijlpaal in mijn leven. Het kon en het mocht. Jij stond erbij om het veilig te maken en te omhullen. Je gaf toestemming, vanuit kennis en eigen ervaring. Je vertelde ook iets over je eigen woede.

Daardoor begreep ik: het mag. Het kan. Alles mag er zijn.

Na die sessie kwam ik buiten. De lucht was zo blauw en de vogels zongen zo mooi. Er was werkelijk iets verhelderd en opengegaan.

Wilko: Wat fijn om te horen.

Lisette: Het was heel belangrijk. Er zijn meer van zulke momenten geweest, maar dit was echt een keerpunt.

Je moet het zelf doen, maar je hoeft en kunt het niet alleen

Wilko: Ik denk dat de meeste mensen daar iemand bij nodig hebben.

Ga maar na hoe alleen je je hebt gevoeld in die vroege levensfase. Je kon niet uitreiken en er was niemand beschikbaar. Dan kun je later ook niet zomaar in je eentje door die lagen heen gaan, zelfs als je dat heel graag wilt. Er zitten allerlei lagen van angst omheen.

Je moet het wel zelf doen, maar je hoeft en kunt het niet alleen doen.

Dat geldt ook voor mij. Ik heb het zelf moeten doen, maar ik had de bedding nodig van mensen die erbij waren, me aanmoedigden en soms duwden. Die zeiden: “Je kunt het.” Zonder hun aanwezigheid en aanmoediging had ik het niet gekund en niet gedurfd.

Lisette: Je weet niet of het veilig is.

Wilko: Primair is het gevoel van onveiligheid te groot om er alleen doorheen te gaan.

Mensen zeggen vaak: “Als ik eenmaal ga huilen, stop ik nooit meer.” Dat is niet waar.

Wanneer je werkelijk in het huilen valt, huil je misschien heel hard, maar daarna stopt het. Dan voel je je opgelucht.

Dat is de aard van emotie. Het woord emotie betekent beweging. Wanneer die beweging mag plaatsvinden – boosheid, verdriet, angsttrillingen of emotionele pijn – heeft zij haar eigen momentum,  een begin, een hoogtepunt en daarna een afloop. Dan is de emotie voor dat moment voorbij.

Waarom Osho lichaamswerk nodig vond

Lisette: Dat is het briljante van Rebalancing.

Wilko: Rebalancing is ontstaan in Poona, bij Osho. Hij zag dat de mensen die naar hem toe kwamen om te mediteren vooral in hun hoofd zaten, vol spanning, onrust, onderdrukte emoties en oude pijn. hoe kun je stil worden als je zo vol zit? Het was hem duidelijk dat er een grote innerlijke schoonmaak noodzakelijk was, een diepe catharsis.

Daar waren natuurlijk veel hooggevoelige mensen bij. Zij werden aangetrokken door de mogelijkheid van een leven in innerlijke vrijheid. Ze dachten: dat wil ik ook. Maar hoe kom ik daar?

Lisette: Wil je iets vertellen over je eigen ervaringen in die tijd?

Wilko: Mijn persoonlijke ervaring begon met de Dynamische Meditatie.

Ik zat destijds op het Kushi Instituut in Amsterdam. Daar hing een foldertje van Osho-mensen die in een kraakpand een meditatieweekend organiseerden. Ik dacht: dat lijkt me leuk. Ik ben er met een vriendin naartoe gegaan.

Tijdens dat weekend maakten we kennis met verschillende Osho-meditaties, waaronder de Dynamische Meditatie. Toen ik die had gedaan, dacht ik: dit doet me iets.

Ik ging in Amsterdam verder zoeken en kwam terecht op een boot aan de Prins Hendrikkade. Daar stapte ik ’s morgens om zes uur naar binnen. Het was er vol met mensen.

Ik was goed in onzichtbaar zijn. Ik dacht: laat ik maar niets zeggen. Ik kijk gewoon wat de anderen doen en doe mee. Ik moet niet opvallen.

De meditatie begon met intensief ademen. Daarna kwam de ontladingsfase. Bij die zestig mensen barstte de bom. Ik dacht: wat gebeurt hier?

Toch was ik opgemerkt door een begeleider. Na afloop kwam hij naar me toe en vroeg: “Ben je hier nieuw?” Ik zei ja.

Hij antwoordde: “Dan zal ik je even uitleggen hoe het werkt.”

Dat vond ik prettig, dus ik ben doorgegaan.

De Dynamische Meditatie

Wilko: De Dynamische Meditatie bestaat uit vijf fasen.

In de eerste fase adem je tien minuten lang intensief en chaotisch door je neus. Daarmee maak je de spanningen in het lichaam wakker en breng je ze in beweging. Je creëert een chaos op de plaatsen waar controle over je emoties is ontstaan en daardoor stagnatie.

De tweede fase is de logische voortzetting daarvan: je ontlaadt ongefilterd de spanning die loskomt. Je kunt schreeuwen, huilen, trappen, lachen of dansen. Je reageert niet rechtstreeks op andere mensen, maar blijft bij jezelf. Het blijft een meditatie. Je hebt je ogen gesloten of draagt een blinddoek.

In de derde fase spring je tien minuten lang met je armen in de lucht, terwijl je de klank “hoo” uitstoot. Dat is een oude mantra uit de soefi traditie.   

De beweging brengt je energie terug naar het buikcentrum, het seks-centrum en het bekken: terug naar de basis, waar de energie thuishoort.

Na 10 minuten springen en dus in totaal een halfuur intensieve inspanning klinkt plotseling het woord: “Stop!”

Dan bevries je precies zoals je staat. Je beweegt niet meer. Je staat in het oog van de orkaan, druipend van het zweet en hijgend, terwijl alles van binnen nog doorraast.

Je enige opdracht is: be a witness. Wees getuige. Kijk alleen maar. Je hoeft niets te doen.

Gaandeweg voel je hoe je lichaam zijn eigen rust vindt. Het lichaam is een intelligent systeem. Het komt vanzelf tot rust.

Soms ontstaat er een intense stilte. Maar die kun je niet afdwingen.

Daarna volgt vijftien minuten celebration: vier het begin van een nieuwe dag, zo fris, open en sensitief als je op dat moment bent. Je danst. Tegen deelnemers zeg ik vaak: “Laat je aanraken door de muziek en laat de beweging van binnenuit ontstaan.”

Lisette: Ik heb de Dynamische Meditatie heel vaak gedaan. In de opleiding deden we hem ook regelmatig.

Wilko: Het is een krachtige meditatie. Ook verguisd, omdat hij ongemakkelijk is.

Lisette: Was dat jouw eerste kennismaking met dit soort lichaamswerk?

Wilko: Het enige wat ik wist, was: dit moet ik doen. Tegelijkertijd voelde het enorm ongemakkelijk, want ik had veel rotzooi en onderdrukking in mijn systeem.

Ik ben het gewoon gaan doen. Ongeveer drie jaar lang deed ik de dynamische meditatie bijna iedere dag. Alleen, met vrienden of in groepen, overal waar ik was. De Dynamische Meditatie was het begin van mijn dag.

Met een massagetafel van 25 kilo in de trein

Lisette: En toen kwam Rebalancing?

Wilko: Ik zocht naar een verbreding van mijn vaardigheden om via aanraking met mensen te werken. Toen zag ik een advertentie voor Rajneesh Rebalancing in Italië.

Het was een heel mooie, heldere advertentie. Ik las wat het aanbod was en dacht: dat ga ik doen.

Ik schreef me in en vertrok naar Italië. Het was een interne opleiding van drie maanden, met een groep van ongeveer zestig mensen en veertig stafleden eromheen. Een enorme rollercoaster. Bijna één op één was er iemand van de staf beschikbaar.

Regelmatig werden toptherapeuten van Osho ingevlogen om een week met ons te werken. Zo was er bijvoorbeeld een week met Encounter. Dat was superheftig en confronterend, en tegelijkertijd heel mooi.

Lisette: Bestaat die opleiding nog?

Wilko: Niet meer in die vorm. Al heel lang niet meer.

In die tijd had ik helemaal niet het idee: ik ga Rebalancer worden. Toen ik terugkwam in Nederland, was ik zo geraakt, binnenstebuiten gekeerd en bevlogen dat ik alleen maar dacht: dit moeten andere mensen ook voelen.

Ik zei tegen allerlei mensen: “Kom, ga liggen. Je moet dit ervaren.”

We waren pioniers; het was natuurlijk nog niet Rebalancing zoals ik die nu geef. met 40+ jaar ervaring. Mensen met centra op verschillende plaatsen in Nederland nodigden me uit. Ze zeiden: “Kom één keer per week met je tafel, dan zorgen wij dat er vijf mensen zijn.”

Dat was mijn oefenperiode. Ik moest het vak in mijn handen krijgen. Dus ging ik met mijn massagetafel van 25 kilo in de trein.

Ik was enorm bevlogen.

De oprichters van de Nederlandse opleiding – Rob, Jeanine en wijlen Barbara – waren dat ook. Zij hebben Rebalancing als jaartraining opgezet. Ik werd er al snel bij betrokken.

Lisette: Toen ik de opleiding deed, gaf jij samen met Emile Buring en Jolande Woltinga les in het eerste jaar.

Wilko: Ik ben twintig jaar hoofddocent geweest van het Inspiratiejaar.

Overgebakken worden

Lisette: Weet je hoe dat eerste jaar voor mij voelde?

Ik was ooit bij psychiater Jan Foudraine, Amrito. Hij zei vaak: “Je kunt niet overgebakken worden.”

Maar in het Inspiratiejaar ben ik wél overgebakken. Zo voelde het echt.

Ik was weer een kind, maar nu met veilige ouders: twee heel veilige pappies en een extreem veilige mammie. Dat had ik nog nooit meegemaakt.

In het tweede jaar werd ik puber. Ik ging ruzie maken met de staf. Ook dat hoorde erbij, mocht en kon.

In het derde jaar werd ik jongvolwassen. Ik nam mezelf en de anderen serieus en was klaar om uit te vliegen.

Ik kwam als een totaal ander mens uit de opleiding dan ik erin was gegaan.

Wilko: Zo kwam ik ook uit Italië terug: als een totaal ander mens. Overgebakken.

En nu zitten we hier veertig jaar later. Ik doe dit werk nog steeds. Dit is wat ik met mijn leven doe.

Natuurlijk heb ik ook een privéleven. Ik doe andere dingen, ik lees een boek en soms doe ik niets. Maar ik blijf bevlogen. Ik blijf aangaan.

Lisette: Je hebt nog altijd een volle agenda.

Wilko: Ik zie iedere week tussen de twintig en 23 mensen. Ik wil dat ook. Mijn lichaam kan het goed aan.

Zodra er iemand voor mijn deur staat, komt diegene ergens voor. Dan ga ik aan, voor zover ik dat nog niet was.

Ik denk dat het werk me jong houdt. Rebalancing is jong. Het houdt je wakker en jeugdig.

Lisette: En je zit iedere dag vol oxytocine. Je komt zelf ook ontspannen uit de sessies.

Wilko: De kracht zit in de wisselwerking. We doen het samen.

Tegen iedere nieuwe cliënt zeg ik: “Jij hebt mij ergens voor nodig, en daarvoor heb ik jou nodig. We doen dit samen.”

De cliënt gaat op zijn of haar manier anders en hopelijk beter de deur uit. Maar ik ook. Hoe mooi is dat?

Hooggevoeligheid is geen ziekte

Lisette: Zie je steeds meer hooggevoelige mensen in je praktijk?

Wilko: Ik zou bijna zeggen: ik zie alleen maar hooggevoelige mensen.

Ik benoem hun gevoeligheid wel, maar uiteindelijk wil ik graag dat mensen het label weer loslaten. Ik wil dat ze beter gaan voelen, in plaats van zich met het label te identificeren.

Ik wil niet generaliseren, maar ik zie soms een zeker slachtofferschap ontstaan in de uitspraak:

“Ik heb HSP.”

Lisette: Alsof het een ziekte is.

Wilko: Precies. Het is een gave.

We hebben alleen niet geleerd om die gevoeligheid als gave te ervaren en te gebruiken. Het is een groot geschenk én een lastig geschenk.

Wanneer je als hooggevoelig kind opgroeit, heb je nog sterker dan gemiddeld de neiging om uit je lichaam te schieten en in je hoofd te gaan zitten. Daar voelt het relatief veilig.

Lisette: Het voelt veiliger, maar dat is het uiteindelijk niet. Je gedachten kunnen enorm met je op de loop gaan.

Wilko: Wanneer je nog heel jong bent, zijn die gedachten er nog niet. Er is alleen angst. Een angst die nog niet eens als angst kan worden herkend.

Ik leer mezelf nog iedere dag om daarmee om te gaan. Wanneer er iets gebeurt wat me triggert, probeer ik te onderzoeken wat eraan voorafging.

Als iemand binnenkomt of jij ergens naar binnen loopt en je krijgt onmiddellijk een reactie, is daar vaak iets aan voorafgegaan. Je bent een sfeer binnengestapt, of iemand komt binnen met een bepaald gevoel of een bepaalde uitstraling.

Je voelt iets aan, maar herkent nog niet wat het is. Op kindniveau word je getriggerd. Vervolgens ontstaat bijvoorbeeld een angstreactie of een verlammingsreactie.

Lisette: Maar je hebt dus wel iets goed aangevoeld?

Wilko: Dat is de kern. Je voelt iets goed aan.

Een jong kind weet alleen nog niet: dit is van mij en dat is van de ander. Voor een kind is alles nog één. Het is allemaal “ik”.

Lisette: Toen ik jong was, voordat ik hier bewustzijn over had, kwam er eens iemand naast me zitten. Ik voelde aan die kant van mijn lichaam ineens angst.

Ik wist niet of het mijn angst was of die van haar. Waarschijnlijk was het allebei: haar angst sloeg onmiddellijk op mij over.

Wilko: Wanneer je dat kunt waarnemen, is er al bewustzijn.

Het hoeft niet voorgoed weg

Lisette: En wat doe je daarna?

Wilko: Oefenen. Steeds opnieuw oefenen.

Het mooie is dat je alleen maar hoeft om te gaan met het moment waarop het gebeurt.

Als ik getriggerd word, is dat het enige moment waarop ik iets kan doen: nu. Niet zodat het daarna voor altijd is opgelost. Ik word later vast opnieuw getriggerd. Lisette: Dat heb ik echt van de Rebalancers geleerd: het hoeft niet weg.

Wilko: Sterker nog: het is pas weg als het niet terugkomt. En meestal is het niet definitief weg.

Voor dit moment kan de reactie voorbij zijn. Dan is de mind slim genoeg om meteen te denken: mooi, nu ben ik ervan af.

Dan zou ik zeggen: ja, voor nu.

Lisette: In ons derde opleidingsjaar was het bijna een running gag. Er was altijd wel iemand die zei: “Heb ik dat nou nóg? Ik heb al zoveel gehuild en op kussens geslagen.”

De docenten glimlachten dan een beetje meewarig: “Hoezo? Moet het weg?”

Wilko: In de gedachte dat het weg moet, zit al de overtuiging: het had er niet meer mogen zijn. Dat is een vorm van weerstand.

Wanneer iets er mag zijn en blijven, wordt het ineens een stuk veiliger. Ik hoef er niet van af. Het mag zijn wat het is.

Ik ben oké zoals ik ben, met alles erop en eraan. Dat is de kern.

Maar minstens zo belangrijk is de vraag: wat helpt mensen om terug te komen bij zichzelf? Daar zijn wel hulpmiddelen voor nodig.

De 80/20-regel

Wilko: Ons Rebalancing concept van 80/20 is heel krachtig.

Lisette: Vertel.

Wilko: We leren mensen om hun aandacht grotendeels bij zichzelf te houden.

Bij jezelf betekent ook: in je lichaam. Alleen aandacht voor gevoelens is niet genoeg. Je moet ook kunnen voelen dat je voeten op de grond staan en dat je billen de stoel raken.

Je kunt opmerken: ik span me aan. Wacht eens, kan ik ook iets ontspannen?

We zeggen: houd tachtig procent van je aandacht bij jezelf. Dat percentage is natuurlijk niet letterlijk te meten. Het gaat erom dat je het grootste deel van je aandacht bij jezelf houdt.

Daardoor ben je in het contact met andere mensen en situaties vrij genoeg om aanwezig te zijn en te blijven. Je kunt bovendien de bewegingen waarnemen die in het contact ontstaan.

Soms beweegt je aandacht naar buiten. Op andere momenten trek je juist naar binnen. Als iemand overweldigend of agressief is, kun je merken: ik trek me terug.

Alleen dat bewustzijn geeft al meer regie.

Je adem beweegt met iedere gemoedstoestand mee

Wilko: Ook de ademhaling is essentieel. Het is simpel en niet perse makkelijk.

De adem is onlosmakelijk verbonden met iedere gemoedstoestand. Elk gevoel, iedere trigger, schrikreactie, opening, liefde, verlangen en woede is gekoppeld aan de ademhaling. De reactie zelf kunnen we niet beïnvloeden. Onze ademhaling kunnen we wel beïnvloeden.

Daarvoor is lichaamsbewustzijn en wakkerheid nodig. Je moet kunnen opmerken: ik houd mijn adem in.

Wanneer je weer gaat ademen, beïnvloedt dat je hartslag en zak je verder terug in je fysieke lichaam. Gaandeweg krijg je zo meer bedding voor alle gevoelsreacties.

Lisette: Hooggevoeligheid kan uiteindelijk dus ook betekenen: ik ben heel gevoelig voor alles wat er in mijn eigen lichaam gebeurt. Ik ben erbij en ik ondersteun het.

Wilko: Ja. Dat is de richting. Dat noem ik belichaming.

Waarom je veiliger wordt voor anderen wanneer je bij jezelf blijft

Lisette: Mensen zeggen soms tegen mij: “Ik heb geleerd dat ik er voor anderen moet zijn.”

Dan antwoord ik: ja, dat hebben we geleerd. Maar mijn ervaring is dat ik juist veiliger word voor anderen wanneer ik tachtig procent van mijn aandacht bij mezelf houd.

Dat is interessant. Het is precies andersom dan ons vaak is aangeleerd.

Wilko: Dat is het hulpverleners syndroom. We leren dat we er voor anderen moeten zijn. Daaronder zit vaak de boodschap: ik ben niet belangrijk, de ander wel.

Dat maakt je geen veilige hulpverlener. Het kost je bovendien je fysieke en mentale gezondheid.

En het is ook niet prettig voor de ander. Die krijgt een hulpverlener tegenover zich die hem wil redden. Dan moet die ander zich wel laten redden, anders stelt hij de hulpverlener teleur.

Dat is een contract.

Een hooggevoelig mens voelt dat onmiddellijk aan: hier wordt iets van mij verwacht. Ik krijg veel aandacht, maar de ander wil ook iets van me. Wat wil diegene van me?

Dan gaan de oude programma’s automatisch draaien: bij mijn moeder was dit ook zo. Nu moet ik lachen, nu moet ik huilen, nu moet ik dit en nu moet ik dat.

Dat gebeurt wanneer een therapeut zijn of haar identiteit ontleent aan het helpen van de ander.

Lisette: Daarom is die 80/20-regel zo goed. Als ik bij mezelf blijf, hoeft de ander dat niet voor mij te doen. Je leert diegene bovendien autonomie.

Wilko: Dat is autonomie: er zijn met alles wat er is, met alles wat er in je leeft.

Ook als Rebalancer.

Soms kan het gebeuren dat ik van binnen bezet ben. Ik ben getriggerd of iets houdt me bezig, en dan staat mijn eerste cliënt voor de deur.

We gaan altijd eerst even zitten. Kan ik aanwezig zijn waar ikzelf ben? Kan ik tachtig procent van mijn aandacht bij mezelf houden en tegelijk beschikbaar zijn voor de ander?

Als ik bereid ben om in contact te zijn met waar ik werkelijk ben en met wat ik voel, dan kan dat.

De ander komt ook in dat veld terecht. Dat resoneert mee en die wisselwerking dient die ander doordat hij of zijn ook vanzelf dieper gaat voelen, opener en echter wordt.

Het is behulpzaam om in je professionele rol gewoon jezelf te kunnen zijn. Van binnen aanwezig te blijven in je menselijkheid.

Het lichaam als stabiele basis

Lisette: Ik vind het belangrijk wat je zegt: het is niet statisch. Het beweegt.

Wilko: Het is ook niet altijd precies 80/20. De aandacht beweegt heen en weer. Je reikt uit en je komt weer terug.

Lisette: Daarmee benoem je feilloos wat hooggevoeligheid doet.

Wilko: Het is een voortdurend bewegen. De vraag is: kunnen we daarin aanwezig blijven?

Dat kun je belichaming noemen. Daarvoor hebben we een lichaam nodig. Zonder die lichamelijke basis zijn we steeds onderhevig aan de bewegingen, en dat is onprettig.

Het lichaam is de stabiele basis. Het blijft op de stoel zitten terwijl vanbinnen allerlei bewegingen plaatsvinden.

Je kunt voelen hoe je voeten op de grond staan. Dat is heel concreet en stabiel.

Ik heb nu bijvoorbeeld een kussen onder mijn voeten, omdat mijn benen te kort zijn voor deze hoge stoelen. Ook dat is voor jezelf zorgen.

Lisette: Ga lekker zitten.

Wilko: Precies.

Grenzen voelen en leren begrenzen

Wilko: Er is nog een aspect dat ik belangrijk vind bij hooggevoelige mensen: grenzen.

Het valt me op dat ze daar vaak weinig gevoel voor hebben. Op kind niveau hebben ze zoveel van de ander nodig dat ze voortdurend iets leveren om iets terug te krijgen.

Veel gevoelige mensen hebben moeite met nee zeggen, gezond begrenzen en hun autonomie bewaken.

Lisette: Dat had ik vroeger ook. Ik kon nooit nee zeggen.

Ik zei tegen iedereen ja. Vervolgens zei ik tegen iemand anders óók ja, waarna de afspraken botsten omdat het helemaal niet allebei kon. Dan kreeg ik ruzie en dacht ik: ik bedoel het zo goed, hoe kan dit nou misgaan?

Tegenwoordig merk ik dat mijn lichaam nee zegt. Ik hoor mezelf gewoon antwoorden: “Nee joh, dat kan helemaal niet.”

Soms denk ik daarna: jeetje, dat ik dat zomaar zeg.

Wilko: Wat een eenvoud, hè?

Die eenvoud ontstaat wanneer we durven varen op onze innerlijke wijsheid en resonantie. Als het lichaam mee mag praten, wordt het moeilijker om het te ontkennen en eroverheen te gaan.

Het lichaam helpt je. Het beweegt alvast een eindje weg, keert zich af of loopt weg.

Lisette: Dat heb ik een keer letterlijk meegemaakt.

Het was aan het einde van een open dag. Er werd gevraagd of we allemaal naar de afsluitende demonstratie van een zangworkshop wilden komen. Dat zou leuk zijn voor de workshop leidster, omdat er dan publiek was.

Ik zat daar en dacht: ik ben zo moe. Maar ik kan echt niet weglopen. Dat is zielig voor haar. Straks ziet iedereen Lisette weggaan en denken ze dat ik het niet leuk vind.

Maar mijn lichaam stond op en liep weg.

Toen ik buiten kwam, zei ik: “Dank je wel, lief lijf.”

En niemand heeft ooit tegen me gezegd: “Wat onaardig dat je wegging.”

Wilko: Die angsten zijn vaak helemaal niet reëel. Het zijn oude tapes die beginnen te draaien.

Lisette: Als je moe bent, mag je naar huis. En als je iets niet kunt, mag je nee zeggen.

Wilko: Het is niet alleen toegestaan, het is ook nodig.

Tegelijkertijd moeten mensen soms leren om ja te zeggen. Ook gevoelige mensen.

Als je werkelijk nee kunt zeggen, kun je ook werkelijk ja zeggen.

Ik herken bij mezelf situaties waarin ik eigenlijk ja wil zeggen, maar eerst een afweerreactie krijg. Dan moet ik leren zeggen: “Ja, ik vind het spannend.”

Ik ben primair een nee-zegger. Nee zeggen was mijn overlevingsstrategie.

Lisette: Dat kan dus ook. Ik ben primair een ja-zegger en moest nee leren zeggen. Jij bent een nee-zegger en moest ja leren zeggen.

Wilko: Ik kan nog steeds onmiddellijk nee zeggen. Een paar minuten later denk ik dan: het kan eigenlijk wel.

Maar ik moet eerst begrenzen. Het nee moet eerst mogen. Daarna kan het ja komen, en dan komt het recht uit mijn hart.

Je wond wordt je kracht

Lisette: Je zei eerder dat jouw overlevingsstrategie onzichtbaar worden was. Mijn strategie was praten, praten, praten. Die heb ik trouwens nog steeds.

Wilko: Daar ben je goed in.

Lisette: Je wond wordt je kracht.

Maar jij bent inmiddels niet bepaald onzichtbaar meer.

Wilko: Nee, ik ben behoorlijk zichtbaar geworden. En ik durf steeds meer zichtbaar te zijn.

Lisette: Je vliegt de hele wereld over om workshops te geven.

Wilko: Ik ben daarin een beetje als Pippi Langkous: ik heb het nog nooit gedaan, dus ik ga het gewoon doen en zie wel wat er gebeurt.

Dat wil niet zeggen dat ik het niet spannend vind. Ik heb geen idee wat ik ga tegenkomen.

Lisette: Je neemt wel de principes van Rebalancing en de wijsheid die je hebt opgebouwd mee.

Wilko: Ik neem mee wat ik het liefste doe in mijn leven. En de spirit doet zichzelf.

Daar komen mensen voor. De rest is het programma. Maar ze komen voor wat eronder ligt, wat alles omhult en voor de diepe ervaring.

Ik noem het een veld. Het is een wonderbaarlijk veld.

Het is geen vastomlijnd veld dat zorgvuldig in stand gehouden moet worden. Het is vloeibaar en beweeglijk. Er is ruimte voor alles.

Wanneer er ruimte is voor alles, kom je vanzelf in het gebied van gevoelens, emoties en gevoeligheden. Dat is van nature beweeglijk.

Als het mag bewegen, stroomt het door.

Die beweeglijkheid is het kenmerk van het leven zelf. Het leven staat nooit stil.

Hoe meer je dit werk doet, hoe beter je erin wordt. Hoe beter je de geheimen van je eigen lichaam leert kennen, hoe meer ze zich laten zien.

Je raakt steeds beter afgestemd op je cliënt. Dat gebeurt vanzelf. Daar komt hooggevoeligheid volledig tot haar recht. Dan is het bovenal een kwaliteit.

Iemand komt binnen, gaat tegenover me zitten en ik voel al: hij is boos. Of: hij is bang.

In mijn gewone leven denk ik soms: shit, daar heb je het weer. Ik heb werk aan de winkel.

Dat houdt me met beide voeten op de grond. Het voorkomt dat ik arrogant word over hoe goed ik zou zijn. Dat interesseert me eigenlijk helemaal niet.

Wat mij interesseert, is dat het mensen dient.

Zij leren van mij en ik leer van hen. Dat is mijn uitgangspositie.

Lisette: Dank je wel.