Podcast Hou van je lijf, maar dan echt hè!
Aflevering 14: Hou van je hart, met Inge Maassen
LT: Hallo. Leuk dat jullie er weer allemaal zijn. Ik praat nu voor de derde aflevering met Inge Maassen, de vrouw die in Nederland het allermeeste weet van Healing Tao. We bespreken samen de vijf yin-organen. Vandaag is de dag van het hart.
We hebben allebei rode kleren aan. Ik draag nooit rood, Inge wel, die is helemaal van de rode kleren. Staat haar ook prachtig. Maar ik heb het roodste aangetrokken wat ik had voor de foto die bij deze aflevering staat. Ook om een beetje in de stemming te komen van het hart.
Waarom is rood de kleur van het hart?
IM: Rood is de kleur van het hart, groen van de lever en blauw van de nieren. In de Tao verbinden we die kleuren met de organen en met ons foetale stadium in de baarmoeder. Die kleuren stellen we ons voor als heel mooi, krachtig en lichtend aanwezig in die vijf yin-organen, zoals in de tijd dat we nog foetus waren, ons ‘amfibie-stadium’.
Als we ons afstemmen op dat prachtige rood van het hart, het groen van de lever, het diepe blauw van de nieren, dan stemmen we ons eigenlijk af op die heel pure, vaak nog gezonde sfeer van toen we in de baarmoeder zaten.
LT: Maar betekent dat dat je je op Valentijnsdag bijvoorbeeld het beste in het rood kunt kleden? Of is dat nu weer te oppervlakkig?
IM: Dan heb je in ieder geval een soort uitstraling van het hart. Ik kan me voorstellen dat als je weinig hartenergie hebt en bijvoorbeeld tussen rode lakens slaapt, je hartenergie daardoor gevoed wordt. Maar als je al een onrustig of opgefokt hart hebt, zou ik dat juist niet doen. Dan kun je beter tussen blauwe of witte lakens slapen. Een teveel aan hartenergie kan onrust veroorzaken.
LT: Maar hoe weet je dat? Hoe kan iemand bij zichzelf vaststellen: ik heb weinig hartenergie? Wat merk je?
IM: Dan ben je weinig enthousiast. Je hebt eigenlijk niet zoveel zin in het leven. Je bent een beetje moedeloos. Je weet niet wat je richting is, wat je taak is. Of misschien weet je dat wel, maar kun je in jezelf het enthousiasme niet genereren om ervoor te gáán.
LT: Dus het hart gaat over enthousiasme?
IM: Ja, echt. Het hart is ons innerlijk vuur. Maar het gaat ook over ons innerlijk weten, weten wat je bedoeling is.
In de Tao zeggen we: het hart is de heerser. Dat klinkt een beetje heerserig, maar dat beeld is ontstaan in de tijd van de keizers in China. De keizer was de vertegenwoordiger van het goddelijke op aarde. En met het hart als keizer hebben we een vertegenwoordiger van het goddelijke in ons.
LT: Daar kan ik me meteen veel bij voorstellen. Het hart is de heerser, dat klinkt voor ons echt als machthebber. Maar de vertegenwoordiger van het goddelijke, lekker.
Ik noem het hart de doorgang naar het leven zelf. Want het leven heeft mijn hart aangezet in de buik van mijn moeder. Dat is gewoon begonnen te kloppen. Al heel vroeg in de embryonale ontwikkeling beginnen die cellen spontaan ritmisch samen te trekken. En niemand kan mij vertellen waarom het leven überhaupt begint.
Daarom is dat voor mij het teken dat het leven zelf – of de hemel, of de bron, God mag van mij ook – wilde dat ik er was. En als God wil dat ik er ben, wie ben ik dan om te denken dat ik er niet mag zijn of niet goed ben?
IM: Ik plaats God in die zin niet zo buiten me: ‘het goddelijke wil dat ik er ben.’ Ik zie mezelf als onderdeel van het goddelijke. En jij vast ook.
LT: Nou, ik ben een fan van een uitspraak van Ken Wilber, die Amerikaanse filosoof. God is zo groot, zegt hij eigenlijk, dat daar alles in past: het alomvattende, de natuur, maar je kunt ook een ik-jijverhouding met God hebben. Toen ik dat hoorde, was ik gerustgesteld: aha, dat kan dus gewoon ook.
Terug naar het hart. Er is dus iets heel erg dieps of kosmisch aan de hand met het hart.
IM: Grappig, bij ‘oer’ en ‘diep’ moet ik zelf meer aan water denken. Aan het diepe en oerachtige van de aarde, de aardediepte als het ware. Maar als je ‘kosmisch’ zegt, dan word ik inderdaad blij in mijn hart. Mijn kosmische hart. Of in ieder geval de hogere trillingen in ons. ‘Oer’ heeft voor mij meer een diepe en lage toon.
LT: Wat is de toon van mijn hart?
IM: De toon van jouw hart is liefdevol. Als ik ’s morgens wakker word, of even stil wil zijn in meditatie, is het eerste wat ik doe mijn ogen zacht maken. Dan ontspan ik. En met die zachte blik kijk ik naar mijn hart en hoe mijn hart terugkijkt.
LT: Jij kijkt hoe je hart terugkijkt. Dat vind ik heel bijzonder. Echt Tao.
IM: Hoe doe ik dat? Ik kan het me voorstellen. Sommige mensen zijn meer gevoelsmensen en ik ben daarnaast een echte kijker, een visueel mens. Dus ik zie als het ware hoe mijn hart liefdevol naar mij kijkt.
LT: Maar zie je dan een orgaan voor je?
IM: Ja, ik zie een orgaan met ogen. Maar niet heel fysiek. Meer een lichtorgaan met lichtogen. Snap je wat ik daarmee bedoel?
LT: Nee, eigenlijk niet, maar dat geeft helemaal niet. Bij mij is mijn hart het kloppen. Ik voel mijn hart kloppen en soms hoor ik het ook. Dat is voor mij contact met mijn hart. Ik ben niet zo visueel, geloof ik, maar wel heel auditief en woordgevoelig.
IM: Ik kan mijn hart ook voelen kloppen en dat vind ik altijd heel magisch en interessant. Maar ik moet er wel iets voor doen. Om zacht naar mijn hart te kijken, te kijken of mijn hart een zachte blik teruggeeft en blij is met mij die ochtend en met het leven, daar hoef ik niks voor te doen.
Maar als ik mijn hart wil voelen kloppen, moet ik mijn borstbeen een beetje masseren, in die diepte gaan voelen en heel stil worden vanbinnen. Dan kan ik het ervaren. Eigenlijk voel ik het meteen in mijn hele lijf. Het is ook een kwestie van wat je geoefend of gepraktiseerd hebt.
Kun jij het ook in je handen voelen? Als je masseert?
LT: Nee, daar ben ik niet mee bezig, mijn hart voelen kloppen in mijn handen. Maar als ik stil zit, voel ik het eigenlijk wel overal.
IM: Prachtig. Dat zei je ook in je hartpodcast. Dat het dan één geheel is. Alles klopt. Je wordt een kloppend geheel.
LT: Ja. En daarna heb ik nog een geweldig boek gelezen van een Duitse hartchirurg, Reinhard Friedl – wat een mooie naam voor een hartchirurg, hè? Dat boek heet The Beat of Life, in het Duits Der Takt des Lebens.
Hij heeft een heel hoofdstuk over ‘heart consciousness’, hartbewustzijn. Hij beschrijft allerlei onderzoek naar het vermogen om je eigen hartslag waar te nemen en verbanden daarvan met emoties en gedrag. Mensen die hun hartslag beter waarnemen reageren vaak anders, empathischer en eerlijker, in sociale en emotionele situaties.
En er zit ook een keerzijde aan: als je nerveus bent en je voelt je hart heel duidelijk, registreer je ook onmiddellijk dat het sneller gaat kloppen. Dan denk je: o, ik ben kennelijk nerveus. Maar dat vind ik eigenlijk helemaal geen nadeel. Leuk, hè?
IM: Ja, zeker. Als je die nervositeit voelt en die mag er zijn… Dat is natuurlijk de kunst waar jij en ik voor gaan: om die nervositeit of innerlijke onrust oké te vinden en die als het ware te omvatten. Dat is de grootste kunst van alles.
En om de liefdevolle, bij wijze van spreken goddelijk neutrale blik die alles omvat, ook zo naar je onrust te laten kijken. Of naar je defensiviteit, je ongeduld, je opgefoktheid, of welke woorden je er ook aan geeft.
Wat je eventueel kunt doen, is je adem vertragen. Je kunt er dus wel iets aan doen, maar daar gaat het in de eerste plaats niet om. Eerst erkennen wat er is, accepteren wat er is. Want dat is liefde: dat het er mag zijn, precies zoals het is.
LT: Weet je, ik dacht vroeger: het hart is natuurlijk de grote verbinder, want het verbindt zuurstofrijk bloed met zuurstofarm bloed. Maar dat blijkt anders te zitten dan ik dacht. Toen ik iets beter naar de anatomie ging kijken, ontdekte ik dat het zuurstofrijke bloed uit de longen aan de ene kant van het hart binnenkomt en het zuurstofarme bloed aan de andere kant. Die twee bloedstromen worden juist zorgvuldig uit elkaar gehouden.
Dat was voor mij zo’n eyeopener. Want vroeger dacht ik altijd als ik verliefd was op iemand: o, ik wil helemaal in jou opgaan. Ik wil mezelf oplossen, in je borstzakje zitten. Ik wil mezelf helemaal weggeven. En dan ben ik jou, zeg maar.
Dat is dus dat mixen. En dat is helemaal geen liefde.
IM: Oplossen. Verdwijnen. Jezelf kwijtraken; dat doet je hart geen goed. Bovendien is het heel moeilijk om te houden van iemand die er eigenlijk niet is.
LT: Precies. Die arme mannen van wie ik het onmogelijke eiste… Dus nu begrijp ik dat liefde verbinden is, terwijl je allebei helemaal jezelf blijft.
IM: Je verandert natuurlijk voortdurend, maar je mag zijn wie je bent. Ik denk zelfs dat als je geen verbinding hebt met jezelf, verbinding met een ander ook niet goed lukt.
LT: Dus de eerste verbinding is eigenlijk met jezelf. Wat kun jij ons aan tips, raad en oefeningen geven voor het hart? Om meer van je hart te houden en je hart beter te laten stralen en doen waar het goed in is?
IM: Laten we even teruggaan naar toen we nog heel klein waren. Ik ben op dit moment een zij-instromende oma. Het kindje is tien maanden. De dochter van mijn partner vertelt dat als het kindje in de wagen ligt en mensen naar haar kijken, ze meteen begint te stralen en te lachen. En mensen worden daar heel blij van.
Dat is eigenlijk een basaal gevoel van het hart. Het hart is vuur: stralen, lachen, blij zijn, waardoor andere mensen ook gaan stralen en lachen en blij worden.
Stel je voor dat iemand in dat wagentje kijkt en het kind begint meteen te huilen of krijgt een pruilip. Dat vinden we natuurlijk veel moeilijker.
Zo leren we als kind gemakkelijk dat we het meest geliefd zijn als we stralen, lachen en blij zijn. En dat we ons beter een beetje onopvallend kunnen terughouden als er ongeduld of onrust is bij onze ouders. Een ouder ziet zijn kind het liefst happy, gelukkig, blij en speels. Want dat raakt ook de eigen blijheid en speelsheid. Blije kinderen maken ons blij.
Dat voelen we als kind en daar gaan we ons op aanpassen, want we willen natuurlijk het liefst dat er van ons gehouden wordt. Dus zetten we dat blije, stralende ook in als we ouder worden. En dan worden we puber en krijgen we met de onmogelijkheden en moeilijke dingen van het leven te maken. En maar proberen stralend, lachend, speels en happy te zijn.
LT: Nou, ik heb eerlijk gezegd in mijn puberteit niet zoveel gelachen. Op foto’s uit die tijd kijk ik vaak boos. Ik was verdrietig, maar meer nog boos.
IM: Ik denk dat dat veel oprechter is geweest en prettiger voor je hart dan wanneer je maar was gaan stralen en blij had gekeken om geliefd te zijn.
LT: Ja, want dan is het een masker.
IM: En dat masker hebben veel mensen, vooral vrouwen die wat ouderwetser zijn opgevoed. Die hebben geleerd: ik ben charmant en maak anderen blij als ik stralend en lachend spreek. Dus ook als dat stralen en lachen er niet is, proberen ze het toch te genereren.
Dat is niet goed voor jou en niet goed voor je hart. Maar het is ook niet prettig voor de ander. Het wordt een soort opgefokt, gegenereerd vuur. Het is er niet vanzelf, het is niet gratis.
In de taal van de Tao zou je kunnen zeggen: om dat niet-vanzelfsprekende vuur te verzachten, moet je water inzetten. En dat vraagt energie van de nieren, die we met onze vitaliteit verbinden.
Wat zo iemand eigenlijk doet, is energie uitgeven die er niet is. Degene die lacht terwijl ze eigenlijk boos, ongeïnteresseerd of verveeld is, spendeert iets dat er niet is. Zowel de spreker als de luisteraar kan daar heel moe van worden.
En zo iemand gaat zich soms ook steeds minder met andere mensen verbinden. Want als de plicht om stralend en lachend te zijn heel groot is, verstop je je wanneer je dat niet kunt opbrengen.
LT: Het mooiste is natuurlijk als er van jou gehouden wordt terwijl je gewoon bent wie je bent.
IM: Boos, bang, ongelukkig, verdrietig, blij, stralend, whatever. Je hoeft niet je best te doen om er anders uit te zien of een andere uitstraling te hebben dan wat er op dat moment werkelijk is. Dat is natuurlijk het mooiste. Dus ik gun ieder kind dat het de uitstraling mag hebben die het op dat moment heeft. En dat gun ik onszelf als volwassenen ook. Iets wat heel belangrijk is voor ons hart, is oprechtheid: dat je uitstraling en gezichtsuitdrukking naar buiten toe mogen passen bij hoe je je vanbinnen voelt.
LT: Maar wat doe je dan met het advies ‘fake it till you make it’?
IM: Daar ben ik niet van. Daar is het hart niet van.
LT: Nee, maar er is wel onderzoek gedaan naar de vraag of je gezichtsuitdrukking je stemming kan beïnvloeden. Glimlachen kan onder bepaalde omstandigheden je gevoel een beetje in de richting van vrolijkheid duwen.
IM: Misschien geldt dat voor bepaalde mensen, maar niet voor mij. Ik ben in Poona geweest, als sannyasin van Osho. Daar deed ik allerlei therapiegroepen. Op een goed moment moesten we in zo’n groep een masker van onszelf maken. En ik was ‘Miss Gently Smile’. Oei. Ik vond dat zo erg. Maar dat was ik echt.
LT: Ja, ik heb ook mijn hele jeugd een masker opgehouden. Maar niet op die manier, ik weet eigenlijk niet precies hoe. Als kind herken ik het echter totaal: altijd lief zijn, altijd vrolijk zijn. En toen ik puber was, ging ik mezelf daar een beetje van losmaken. Gewoon stiekem dingen doen.
IM: Wat ging je dan stiekem doen?
LT: Nou, hasj roken, met jongens naar bed en zo. Alles wat niet mocht, deed ik stiekem. Dus daar was dat masker niet nodig.
IM: Je ging dáár je ontwikkeling zoeken waar je meer jezelf kon zijn. En dat ging natuurlijk in uitersten. Je weet niet meteen precies waar je uitkomt, dus dat onderzoek je.
LT: We waren een keer met een hele groep vrienden aan het eten. Ik was toen achttien of negentien en ik had wijn gedronken. Ik hing helemaal over de tafel om iets uit te leggen, nogal dwingerig. En toen zei een van die jongens: ‘Kijk, nu komt ze tevoorschijn. Dit is haar ware zelf.’ Dat weet ik nog. Want kennelijk was ik gewoonlijk toch nog steeds het schattige meisje.
IM: Ik denk dat heel veel jonge meisjes proberen schattige meisjes te zijn. Misschien tegenwoordig iets minder. Gelukkig.
Het hart wordt heel blij van eerlijk en oprecht zijn. En ook gewoon nee zeggen, op een aardige manier. ‘Nee, dat is niks voor mij.’ Of: ‘Dat doe ik niet graag.’ ‘Nee, daar heb ik niet zoveel zin in op dit moment.’
Nee zeggen is heel belangrijk voor het hart.
LT: Nou, wat een prachtige en belangrijke uitspraak. Hebben jullie het allemaal goed gehoord? Nee zeggen is goed voor je hart. Als je tenminste dat nee ook echt meent. Daar gaat het om, hè? Wat is oprecht?
IM: Wat jij net vertelt, dat is eigenlijk het hart op de tong hebben.
LT: O ja, mooi. Dus het hart komt op de tong naar buiten. Geweldig.
IM: En als het hart een beetje te yang is, kan het ook gemakkelijk verkrampt raken: een beetje bemoeierig, snibbig en snauwerig. In de Tao zeggen we dat vrouwen een yanger hart hebben dan mannen.
LT: Ja, dat wist ik eigenlijk al. Hier zit bij ons het yang. Daarom puilt het ook naar voren en naar buiten met de borsten.
IM: Ja, en de tepels en zo. Dat is allemaal yang. Dus wij kunnen echt snibben en snauwen en ons met de ander bemoeien op een manier die hitte brengt. Mannen kunnen daar weer gevoeliger voor zijn; in de Tao zeggen we dat zij een yinner hart hebben.
En dan komen de nieren weer om de hoek kijken. Als je stevig achter jezelf staat en voldoende ‘nierpower’ hebt, zoals we dat in de Tao zouden noemen, kan het water het heftige hartvuur temperen.
Maar als je niet zo stevig achter jezelf staat, kun je jezelf gaan pantseren. Het hart kan zich op verschillende manieren pantseren. Bij mannen zie je bijvoorbeeld nogal eens een heel gespierde, stijve borstkas. Daarmee worden ook de ribben minder beweeglijk. Dat kan letterlijk als een pantser gaan functioneren.
Bij mezelf moest ik mijn hart ook beschermen, maar op een andere manier. Dat kun je bijvoorbeeld doen met het hartzakje. Het hartzakje, of de hartbeschermer, is het vlies rond het hart: het pericardium. In onze beleving kun je dat als het ware vergroten, versterken en verstrakken.
LT: Met je geest?
IM: Nee, dat gaat eigenlijk vanzelf. Alles in ons wil zo goed mogelijk blijven functioneren. Dus als je iets meemaakt wat op dat moment niet te verteren is, iets wat je nooit meer wilt voelen, dan kan je lichaam zich daar als het ware omheen organiseren. Er ontstaat spanning, verkramping, een plek waar je liever niet naartoe gaat met je aandacht. In de Tao zouden we dat een blokkade noemen.
Zo’n oude ervaring kan vervolgens steeds opnieuw geactiveerd worden door iets wat erop lijkt. Dan lijkt het soms alsof je precies hetzelfde weer aantrekt. Bijvoorbeeld: dit is nou al de derde man met een alcoholprobleem, terwijl je eindelijk los denkt te zijn van je alcoholische vader.
Taoïsten willen daar graag van binnenuit mee werken. Waar zitten de plekken die niet stromen? Kun je daar zacht in zijn, naartoe ademen? Je laten masseren? Dingen doen waardoor je weer meer gaat stromen in jezelf?
LT: Dat is mijn werk eigenlijk, rebalancing.
IM: Dan hoef je misschien minder van die narigheid via de buitenwereld tegen te komen om je ervan bewust te worden.
LT: Ja. ‘Helemaal niet meer’ zou ik niet zeggen. Ik denk niet dat wij ooit helemaal schoon worden. Of denk jij dat wel? Schoon, geheeld? Die illusie heb ik helemaal niet meer.
IM: Ik weet het niet. Maar je gaat er natuurlijk wel anders mee om.
LT: Precies. Er blijkt telkens weer een diepere laag te zijn waar ook nog iets zit. Je gaat er anders mee om, absoluut. Maar niet dat het dan klaar is of zo.
IM: Dat denk ik ook niet.
Nu we het hier over hebben, herinner ik me Eckhart Tolle. Helemaal aan het begin van zijn bekendheid heb ik hem in Nederland gezien. Ik zat bij een lezing van hem. Hij zat toen fysiek heel onrustig, met allerlei trekkingen in zijn lichaam.
Na de pauze vroeg iemand: ‘Goh, meneer Tolle, sorry dat ik het zo zeg, maar voor een verlicht meester zit u wel heel merkwaardig in uw lichaam.’
En toen zei hij voor mij magische woorden: ‘Ik heb bewustzijn in elke cel van mijn lichaam.’
Hij zei dat terwijl zijn lichaam nog steeds die trekkingen maakte. Maar dat bewustzijn was liefdevol bewustzijn. Bewust van de pijn, de wonden, de trauma’s, van alles wat er was.
Dat kwam zo bij mij binnen. Ik heb daarna zeker een week het gevoel gehad dat ik bewustzijn had in elke cel van mijn eigen lichaam. Het was geweldig om alles te durven voelen.
Iets wat jarenlang genegeerd is, kan soms maar heel even helemaal gevoeld hoeven worden en dan verandert er al iets. Tolle was voor mij een lichtend voorbeeld van alles toelaten wat er op dat moment was. Zijn in zijn lichaam zoals het op dat moment was.
LT: Bijzonder. Heel mooi.
IM: Dus eerlijkheid. Eigenlijk komen we steeds weer terug bij eerlijkheid. En eerlijkheid tegenover jezelf heeft te maken met zachtheid. Zacht zijn, eerlijk zijn over wat er speelt en daar zacht tegenover staan. Dat is goed voor je hart.
Met liefdevolle ogen kijken. Die hartliefde is, als ze goed is, neutraal. Ze accepteert alles, whatever er is, wie je ook bent, hoe je uitstraling ook is. Zelfs als je het liefst onder de grond zou willen kruipen.
Het goddelijke in jou kijkt met een zachte blik. Het ziet het. Het mag er zijn.
LT: Tegelijk kun je je voorstellen dat dit voor heel veel mensen moeilijk is. Hart- en vaatziekten zijn wereldwijd nog altijd de belangrijkste doodsoorzaak.
IM: Er is ook ongelooflijk veel hardheid en oneerlijkheid in de wereld. Ik heb niet het gevoel dat dat minder wordt.
LT: Ja. Maar je was nog iets aan het vertellen over het hartzakje, de interne bescherming van het hart.
IM: Stel dat er bepaalde blokkades zijn. Ik vertelde in onze aflevering over de lever dat ik als kind echt boos was. Die boosheid kon niet naar buiten en werd, in mijn beleving, een gevoel van frustratie in de lever.
In de Tao voedt het hout van de lever het vuur van het hart. Mijn hart ging zich dus niet wagenwijd openstellen voor dat heftige, brandende, woedende hout. Mijn lichaam beschermde zich daartegen. Zo ben ik het gaan zien: mijn hartbeschermer werd stevig.
LT: Dat ging vanzelf?
IM: Ja. Dat gebeurt op een onbewust lichamelijk niveau. Het lichaam doet enorm zijn best om ons zo goed mogelijk te laten functioneren.
Ik ben daarom anders gaan kijken naar plekken die ik vroeger alleen maar als blokkades zag. Een gespannen of pijnlijke plek kan ooit een beschermende functie hebben gehad.
Die plekken zijn voor mij mijn helden en heldinnen geworden. Ze hebben iets moeilijks helpen dragen zodat de rest van mij door kon functioneren.
LT: Dat zeg je mooi.
IM: Ja. Die redden je als het ware door ervoor te zorgen dat al het andere door kan gaan.
Ik geef orgaanopstellingen en daarin zie je soms dat degene die een bepaald orgaan representeert helemaal van de andere organen afgewend staat. In zo’n opstelling onderzoeken we dan: zou dit orgaan iets moeilijks dragen? Zou hier als het ware de pijn zitten?
LT: En wat doe je dan als je dat beseft?
IM: Erkenning geven. Bewust maken.
In zo’n opstelling kun je bijvoorbeeld zeggen: ‘Wat ongelooflijk dat jij dit al die tijd gedragen hebt. Wat een zware taak.’
En dan gebeurt er vaak iets moois. De andere organen – of eigenlijk natuurlijk de mensen die ze representeren – reageren alsof ze denken: wow, zo hebben we dat nooit bekeken. Dus jij bent niet het lastige orgaan. Jij doet juist enorm zwaar werk.
En degene van wie dat lichaam is, heeft zo’n pijnlijke of gespannen plek vaak ook jarenlang afgewezen: ik ga daar niet naartoe met mijn aandacht, want daar doet het pijn. Die plek krijgt dus helemaal geen erkenning.
Zo ben ik ook naar mijn hartzakje gaan kijken. Wow, wat heb jij goed gezorgd voor mijn toen nog tere, kwetsbare, verfijnde hart. Je hebt ervoor gezorgd dat niet alles zomaar naar binnen kon. Je was echt een hartbeschermer. Dank je wel.
Maar jij hebt ook weleens gezegd: op een gegeven moment is je hart groot genoeg om de pijn te kunnen dragen.
LT: Ja. Voor volwassen mensen is dat zo, volgens mij.
IM: Precies. Op een gegeven moment kun je je bewust worden van wat je vroeger nodig had en nu misschien niet meer.
Ik ontdekte bijvoorbeeld bij mezelf: hoe gaat dat eigenlijk, van iemand houden? Ik wist gewoon niet zo goed hoe dat moest. Ik zei, op z’n Belgisch, liever: ‘Ik zie u graag.’ Dat voelde concreter. Voor ‘houden van’ zat bij mij toen nog iets.
Het helpt om je daarvan bewust te worden. Mijn zachte blik en glimlach erop te richten. Zorg te besteden aan dat gebied. Ik wist in dit geval waar ik aandacht aan wilde geven en kon het in mijn beleving steeds zachter maken.
Maar vaak weet je helemaal niet wat er precies zit. Dan kun je nog steeds zacht blijven kijken naar jezelf. Zo probeer ik ook van de moeilijke plekken in mij te houden.
LT: Maar wat bedoel je precies met: ‘ik kon het zachter maken’? Zijn daar oefeningen voor? Of is dat vooral waar we het al over gehad hebben, die innerlijke glimlach?
IM: Zeker. Je kunt bijvoorbeeld ’s avonds voor je gaat slapen tien dingen bedenken waar je die dag blij van werd. Dit is even voor de gedisciplineerde ziel.
LT: O ja, wij kennen hem meestal met drie. Maar jij maakt er meteen tien van.
IM: Ik doe er gelijk tien. Er zijn natuurlijk altijd meer dan drie dingen.
Wil je een iets verfijndere harttrilling, dan kun je ook tien dingen bedenken waar je dankbaar voor was. Dat is weer een andere frequentie van het hart. Of tien dingen waar je respect voor voelde.
Wat bij mij ook heel mooi werkt, is mensen zegenen. Ik zag ooit bij de boekhandel een boek liggen, De zachte kracht van zegening. Op de achterkant stond iets in de trant van: zegen de mensen die je op straat tegenkomt.
Interessant, dacht ik.
Ik woon in een winkelstraat, dus ik loop daar en ‘zegen’ mensen. Ik wens ze in gedachten een prachtige dag toe. Juist ook als ik iemand zie die ongeduldig is, bijvoorbeeld tegen een kind, of helemaal geabsorbeerd is door de telefoon. Dan zegen ik diegene.
Daar word ik zelf, en mijn hart ook, heel blij van.
LT: Ik heb eens gehoord dat in het Hebreeuws zegenen ook iets te maken heeft met eren en danken. Niet dat het letterlijk hetzelfde betekent, maar die associatie vind ik geweldig. Wij zegenen God, wij danken God. En toen dacht ik ineens: als God óns zegent, zou je je dan ook kunnen voorstellen dat God óns bedankt? Omdat wij dit wonderlijke, dappere gedoe hier allemaal doen. Aandurven. Vanuit ons hart.
IM: Ons eerlijke hart. Ja. Ik ervaar dat er in de kosmos ook veel dankbaarheid voor is.
LT: Wat mooi.
IM: En ik ga ervan uit dat het werk dat ik aan mezelf doe, of in mijn directe omgeving, als ik dat liefdevol doe, doortrilt in het grotere geheel.
Dus ik hoef niet meer keihard te werken om de wereld beter te maken. Naar demonstraties te gaan en zo.
LT: Of iedereen zover te krijgen dat ze het met je eens zijn.
IM: Ja, dat zou ik wel graag willen hoor! Maar ik heb daar gewoon de tijd niet voor.
En ik vertrouw erop dat dit óók werkt: het intern doen. Bij mezelf. De chaos in mezelf zacht bekijken. Die mag er zijn.
LT: Ik zie trouwens niet zo gauw een demonstratie van Healing Tao voor me. Wat zou er op de spandoeken staan?
IM: Nee, wat Healing Tao betreft niet. Maar ik heb wel gedemonstreerd voor Osho toen hij gevangen zat in de VS. Dat gebeurde internationaal, dan weer in Londen, dan in Parijs. Ik deed daar graag aan mee.
We deden vijf minuten zingen, vijf minuten hummen en vijf minuten stilte, steeds afgewisseld. Dat vond ik prachtig. Dat is mijn vorm van demonstreren.
LT: En nu zie je er op dit moment trouwens ook uit als een sannyasin, met je rode blouse en je rode T-shirt, je rode hemd en rode oorbellen. Is dat ook waarom jullie rood droegen?
IM: Nee hoor. Oranje is traditioneel de kleur van de sannyasin. Sannyasin betekent leerling van een meester. Maar oranje staat me helemaal niet.
LT: Later werd het toch donkerrood?
IM: Later mocht je alles in de rode sfeer kiezen. Dat was prettig.
Maar toen ik na drie jaar geen sannyasin meer was, gaf mijn vader me duizend gulden. Dat was toen een hoop geld.
LT: ‘Koop fatsoenlijke kleren, schat’? Ik hoor het hem helemaal zeggen.
IM: Hij zei niet ‘fatsoenlijk’ hoor! Hij zei: ‘Ga maar een nieuwe garderobe aanschaffen.’ Heel leuk. Nieuwe kleren kunnen trouwens ook iets doen met je uitstraling.
En een goed en gezond hart straalt. Vuur is warmte. Vuur geeft warmte. Bij iemand met een stralend hart kun je je als medemens warm, gezien en erkend voelen.
LT: Ik voel mijn hart soms meer als branderig. Als ik getroffen word door iets wat me heel erg raakt, voel ik dat hier in mijn borstkas. Misschien is ‘branderig’ niet het goede woord. Meer een gloeierige gloed. Maar ik voel het echt fysiek.
IM: Opvallend. Je hart laat van zich horen – of spreken, of voelen.
LT: Voelen, ja.
IM: Ik ken ook dat het hart zwaar kan voelen. En zelfs daar ben ik blij mee. Alles wat ik in mijn hartstreek kan voelen, vind ik interessant. Fijn om te kunnen voelen.
Maar het hart kan zich natuurlijk ook afsluiten. Dat hebben we al gezien.
In de Tao spreken we ook over allerlei prikkels van buitenaf als een soort ‘vals yang’: heel veel schermen, apparaten, elektriciteit, voortdurende prikkeling. Sommige mensen ervaren dat als te veel en hebben dan behoefte zich daartegen af te schermen.
LT: Ja, echt?
IM: Voor mij is dat heel duidelijk. Te veel prikkels maken me chaotisch en onrustig. Dus het is best een moeilijke wereld om je hart helemaal open in te hebben.
LT: Of onze harten moeten evolueren, zodat ze daar steeds beter mee om kunnen gaan.
IM: Ja. Ik denk niet dat er iets voor niets is. Dus ook deze technologische wereld zal ons ergens toe uitdagen.
Vroeger kon ik bijvoorbeeld nauwelijks in een Albert Heijn komen. Ik ervoer de omgeving daar als veel te heftig en werd er chaotisch en onrustig van. Ik heb geleerd om zelf lichamelijk veel meer aanwezig te blijven, en daardoor kan ik zo’n omgeving nu beter verdragen.
LT: Ik heb een boek gelezen, The Invisible Rainbow, over de geschiedenis van elektriciteit. Wat me daarin vooral opviel, was hoe ongelooflijk enthousiast mensen steeds waren wanneer er weer een nieuwe uitvinding kwam. Telkens weer: we hebben iets fantastisch nieuws ontdekt!
Dat is natuurlijk nog steeds zo. Wij mensen moeten ons voortdurend moeten verhouden tot nieuwe omstandigheden. Ons lichaam past zich voortdurend aan aan een veranderende wereld. En dat raakt aan iets wat ik zo ervaar: ons lichaam is de hoofdpersoon hier in dit aardse leven. Het is mijn lichaam dat geboren is en mijn lichaam dat sterft.
IM: En het staat ook ten dienste van onze ontwikkeling als ziel.
LT: Ja. Het lichaam draagt de ziel, om de ziel zich te laten ontwikkelen. Dus het lichaam doet alles wat het kan om zich te verhouden tot veranderende omstandigheden – omstandigheden die wij mensen kennelijk om de een of andere reden creëren.
IM: En ontwikkeling kan natuurlijk ook gepaard gaan met ziekte, pijn en ongemak.
LT: Kan, ja. Maar lang niet altijd.
IM: Nee. Ik bedoel meer: in het groot weet ik helemaal niet wat de dingen die ik moeilijk vind aan deze tijd uiteindelijk aan ontwikkeling brengen. Dat kan ik niet overzien.
In Haarlem hangt bij het station een groot bord met een uitspraak van Godfried Bomans: ‘Ook deze tijd is eens de goede oude tijd.’
LT: De goede oude tijd, ja. Al zijn er achteraf gezien natuurlijk ook verschrikkelijke oude tijden geweest.
Maar we dwalen af van het hart. Of is dit allemaal toch hartelijk?
IM: Nou ja, als alles ons hart aangaat, geldt dat ook voor de kwalijke dingen die er op dit moment gebeuren.
LT: Daar is je hart ook groot genoeg voor. Mijn hart is daar groot genoeg voor.
Maar heb je nog iets praktisch? Moet je bepaalde dingen eten? ‘Bitter in de mond maakt het hart gezond’, dat soort dingen?
IM: ‘Bitter in de mond maakt het hart gezond’, zeggen we inderdaad. In de traditionele Chinese voedingsleer hoort de bittere smaak bij het hart. En veel mensen houden juist niet zo van bitter; veel voedingsmiddelen zijn in de loop der tijd ook minder bitter geworden.
Maar er is nog iets anders.
Zoals je kunt luisteren vanuit de nieren en kijken vanuit het midden van je hoofd, zodat je verbonden blijft met je hele lichaam, zo kun je ook spreken vanuit je hart.
Je kunt als het ware je tong in je hart laten zinken.
LT: Dus nu niet het hart op de tong, maar de tong ín het hart.
IM: Precies. Want ‘het hart op de tong’ kan ook betekenen: alles wat er onmiddellijk in me opkomt, flap ik eruit. Mensen lozen soms op die manier spanning.
De tong in het hart laten zinken is iets anders.
Je kunt eerst even met je tong spelen: rondom je bovengebit, rondom je ondergebit. Daarmee maak je speeksel aan en dat slik je door. Dan leg je je handen bij je hart en laat je ook je aandacht daar komen.
En dan spreek je vanuit je hart.
Als je je hart op dat moment niet zo ruim ervaart, kun je je ook voorstellen dat er een vogel vóór je hart vliegt. Met rustige vleugelslagen, waardoor je hart als het ware wijdte en ruimte krijgt.
Dat is een visualisatie.
En jij had het in je eigen hartpodcast over die knoop achter het hart, op de rug.
LT: Ja. Ik kom daar bij vrijwel iedereen spanning tegen, vaak links sterker dan rechts.
IM: Dat specifieke beeld ken ik niet. Wat ik vanuit de Tao wel ken, is een plek rond de vijfde en zesde borstwervel die we het vleugelpunt noemen.
Je kunt je daar twee engelenvleugels voorstellen die heel zacht achter je rug wieken. In de Taoïstische beeldtaal kunnen die ruimte geven aan het onbewuste deel van het hart.
LT: Wat mooi.
IM: Dan richt je je aandacht op het veld achter je, dat we met het onbewuste en het verleden verbinden. Alles wat als herinnering of oude last nog achter je lijkt te hangen, kun je met die zachte vleugelslag ruimte, licht en lucht geven.
In sommige spirituele tradities zijn daar zelfs ervaringen uit vorige levens bij betrokken. Je hoeft dat natuurlijk niet letterlijk te nemen om met het beeld te kunnen werken.
Als je loopt, kun je je die grote engelenvleugels achter je voorstellen en dat hele veld ruimte geven.
LT: Ik voel ze meteen zitten. Heel leuk om je dat voor te stellen. Je hebt die vogelvleugels voor je en die ruisende wieken achter je. En zo schrijd je door de wereld.
IM: Zo schrijd je door de wereld, ja. Dan loop je helemaal vanuit je hart.
Ik hoop alleen niet dat iemand die dit hoort me straks in mijn winkelstraat tegenkomt terwijl ik enorm in mijn hoofd zit en haastig naar een winkel loop. Dan zeggen ze: ‘Nou, Inge, waar zijn je vleugels en je vogel?’
LT: Dat mag ook. Ook die haastige passen naar de winkel mogen er zijn.
Maar die engel houden we erin.
Nou, jeetje, dank je wel voor dit alles. Hartelijk en van harte bedankt.