Podcast Hou van je lijf, maar dan echt hè

Aflevering 3: Hou van je hart

Waarom we allemaal een band van spanning om ons hart hebben aangelegd, en hoe die kan ontspannen. Waar je hart eigenlijk voor is.

Hoogste tijd om het over het hart te hebben. Want het hart is het orgaan van de liefde. Dus ook van de liefde die je hebt voor jezelf en voor je lichaam. Of hoort te hebben, of bezig bent te leren hebben – je snapt wat ik bedoel.

Je hart kun je niet zien, maar je kunt het wel voelen. Je kunt het voelen kloppen, als je erop gaat letten. Ik heb weleens cliënten in mijn rebalancingpraktijk die zeggen: “O nee, dat durf ik niet. Dat vind ik eng.”

Dan vraag ik: “Waarom?”

“Misschien klopt het wel niet regelmatig.”

“Nou,” zeg ik dan, “als je hart niet volkomen regelmatig klopt: gefeliciteerd. Dat hoort bij een gezond hart. Een hart is geen machine.”

Een gezond hart reageert voortdurend op wat er gebeurt: op je ademhaling, je gevoelens, beweging, inspanning, temperatuur, spanning en ontspanning.

En je hartslag kun je op allerlei plekken in je lichaam voelen, als je erop gaat letten. Dat is heel goed voor je.

Tadum, tadum, tadum, tadum.

Het voelt misschien ver weg, maar het is juist heel dichtbij. Het is subtiel en tegelijkertijd een krachtige golf door je hele lichaam.

Het is goed voor je om je hart te voelen kloppen. Dat heb ik niet verzonnen; daar is onderzoek naar gedaan. Aandacht voor de signalen van je hart versterkt je lichaamsbewustzijn. Ik noem het zo: je wordt een kloppend geheel.

Dus als je even niks te doen hebt, ga ervoor zitten. Voel je hartslag op zoveel mogelijk plekken in je lichaam.

Je kunt je hand op je hart leggen en kijken of je daar vanbinnen een zacht bonzen voelt. Dan kun je voelen of het ook in je handen te merken is, in je vingertoppen. In je hals kun je het vaak voelen, in je gezicht, bij je neusbrug, boven op je wangen, bij je oren, soms ook in je buik.

En soms kun je die golfslag echt door je hele lichaam voelen.

Ik denk dat dat een diepe geruststelling kan geven aan je onderbewustzijn. Want je hartslag zegt eigenlijk:

Ik ben. Ik ben. Ik ben. Ik ben.

Als je vindt dat je hart te snel slaat, kun je proberen het te kalmeren met je ademhaling: langzamer en rustiger ademen. Niet grote, diepe ademteugen nemen, maar juist zacht en licht ademen.

Daar kom ik in een volgende aflevering op terug, als we het over de adem gaan hebben. Maar voor nu kun je alvast onthouden: als je denkt, o, mijn hart is zo hevig aan het bonzen, wat griezelig, ga dan zitten en adem rustig. In en uit en even wachten. In en uit en iets langer wachten.

Oké.

Het hart is de plek waar pijn wordt omgezet in liefde.

Als we klein zijn, kunnen we dat nog niet. Een kinderhart moet beschermd worden tegen pijn en dat doen we onder andere met spierspanning. De meeste kinderen leren op de een of andere manier hun hart te beschermen.

Ik merk dat op de rug. Vrijwel iedere cliënt die ik op mijn massagetafel heb gehad, heeft een gespannen plek in de lange rugspier, ongeveer ter hoogte van het hart, links. Aan de rechterkant zit bij veel mensen ook zo’n plek, maar meestal iets minder duidelijk.

Wij rebalancers zien dat als een stukje pantser dat we ontwikkeld hebben om ons hart te beschermen tegen pijn.

Spieren aanspannen doen we onder andere om minder te voelen. Als je ontspant, ga je meer voelen. En andersom: als je bereid bent meer gevoel toe te laten tot je bewustzijn, kun je vaak ook beter ontspannen.

We hebben kennelijk allemaal een zekere pantsering nodig gehad ter hoogte van het hart. Rebalancers noemen die plek op de rug the dark side of the heart: de plek waar ongewenste gevoelens zich als het ware hebben teruggetrokken.

En ik moet daarbij vaak denken aan het sprookje van de Kikkerkoning.

Sprookjes zijn symbolische verhalen. Ze gaan over de ontwikkeling van onze ziel hier op aarde. Je kunt ze beter begrijpen als je beseft dat alle personages erin ook delen van jezelf kunnen zijn.

De Kikkerkoning is dat sprookje van Grimm waarin een prinses haar gouden bal in het water laat vallen. Een kikker haalt hem voor haar uit het water, op voorwaarde dat hij van haar bordje mag eten en in haar bedje mag slapen.

Als hij dat ’s avonds komt opeisen, smijt de prinses hem in de oorspronkelijke versie walgend tegen de muur. In latere versies en vertalingen is daarvan gemaakt dat ze de kikker kust.

Vroeger vond ik dat heel erg, maar nu besef ik: symbolisch komt het eigenlijk op hetzelfde neer.

Ze verbindt zich met hem. Of ze dat verkikkerde stuk van haar ziel nu afwijst of omarmt: ze gaat het contact ermee aan. En op dat moment verandert de kikker in een prins.

En dan gaan ze meteen trouwen.

Prinsen en prinsessen in sprookjes moeten altijd met elkaar trouwen. Dat is niet woke of niet-woke, dat is symboliek. De prinses symboliseert het gevoel, de aardse kant van ons, het lichaam, de vorm. De prins staat voor bewustzijn, de hemelse kant, de geest, het vormloze.

Die twee willen zich met elkaar verbinden. Ze houden van elkaar met een onuitsprekelijke liefde.

Net als de Indiase godin Shakti, die staat voor aarde, vorm, gevoel en levenskracht, en Shiva, die onder andere hemel, geest en bewustzijn symboliseert. Het zijn twee polen die zich in onszelf met elkaar willen verenigen.

Dat is de symboliek van het huwelijk, van de bruiloft.

Wij zijn geest en wij zijn lichaam. En die twee zijn in werkelijkheid één.

Dus lichaamsbewustzijn, je gevoel bewust maken, houden van je lichaam – maar dan echt – is een spiritueel verhaal.

Oké. Aan het eind van het sprookje gaan de prins en de prinses op weg naar de bruiloft, in een koets. Onderweg horen ze ineens een harde knal. En nog een. En nog een.

Steeds vraagt de prins aan zijn trouwe knecht: “Is er iets mis met de koets?”

En de knecht zegt: “Nee, heer. Toen u in een kikker werd veranderd, heb ik drie ijzeren banden om mijn hart gelegd om te zorgen dat het niet zou breken.”

Op weg naar de vereniging springen die banden los. Eén voor één.

In mijn praktijk begin ik altijd te masseren op de rug en ik voel die banden gewoon zitten. Niet van ijzer natuurlijk, maar van spierspanning.

De eerste zit ter hoogte van het hart.

Dan is er vaak een tweede band van spanning ter hoogte van wat je het ik-centrum zou kunnen noemen, het derde chakra, rond het middenrif, maar dan aan de achterkant: ergens midden op de rug.

En de derde zit meestal in de onderrug, ter hoogte van het tweede chakra, dat in de chakraleer verbonden wordt met voelen en levensenergie.

Die banden van spanning hebben we kennelijk aangelegd toen we nog jong waren en te gevoelig, te weerloos voor wat er allemaal om ons heen gebeurde.

Dat was nuttig. Het hart van een kind is niet groot genoeg voor alle pijn.

Maar als je volwassen bent en je begint je bewustzijn te verbinden met je gevoel – als je innerlijke prins en prinses elkaar gevonden hebben en zich verenigen – dan kunnen die banden langzaam maar zeker loslaten.

Niet met een knal. Langzaam maar zeker.

En dan kun je je hart vrijmaken: die onuitputtelijke bron van liefde.

Een volwassen mensenhart is groot genoeg voor alle pijn van de hele wereld.

Ik heb het in mijn praktijk op een tegeltje laten zetten. Het is voor mij een van de belangrijkste mantra’s:

Mijn hart is groot genoeg voor alle pijn.

Je kunt je hart openzetten. Je kunt je hart laten breken. Je kunt het laten branden of bloeden of schrijnen. Je kunt de zwaarte voelen van verdriet of wanhoop.

En je hart maakt er liefde van.

Nou, dat moeten we natuurlijk een beetje uitleggen.

Volgens het eenvoudige mechanische beeld is het hart vooral een pomp die het bloed door ons lichaam pompt. Maar het hart en de bloedsomloop vormen een veel ingewikkelder en dynamischer systeem dan dat beeld suggereert.

Ik heb daar uitgebreider over geschreven in een blog op mijn site, van 1 februari 2024.

Wat ik er nu van begrijp, is dat ons fysieke hart een bijzonder gevormde spier is waarvan de vezels in complexe, spiraalachtige patronen lopen. De beweging van het hart draagt daardoor ook bij aan de wervelende, spiraalvormige beweging van het bloed.

Het bloed uit het lichaam komt aan de rechterkant van het hart binnen en wordt naar de longen gestuurd. Vanuit de longen komt het zuurstofrijke bloed aan de linkerkant van het hart binnen en wordt het weer door het hele lichaam verspreid.

Het hart is een wonder. Een groot en onuitsprekelijk wonder, een eigenlijk niet te begrijpen wonder.

In het embryo waarmee jouw lichaam en mijn lichaam begonnen zijn, in de buik van onze moeder, is op een gegeven moment iets gaan kloppen. Een groepje cellen begint ritmisch samen te trekken en ontwikkelt zich verder tot het hart.

Maar als ik daar werkelijk bij stilsta, blijft voor mij het wonder bestaan: hoezo begint daar ineens iets te kloppen? Waar komt die impuls tot leven vandaan?

De biologie kan steeds nauwkeuriger beschrijven hóé dat proces verloopt. Maar daarmee is voor mij het mysterie nog niet verdwenen.

Ik zeg het zo: iets heeft mijn hart ooit aangezet en ik was het niet. En ooit zal mijn hart weer ophouden met kloppen, en ook dat heb ik uiteindelijk niet in de hand.

Misschien is mijn hart wel niet eens echt van mij. Misschien is mijn hart van het leven zelf, met een hoofdletter L. De poort waardoor het leven met een hoofdletter L in mij binnenkomt en weer vertrekt.

En dáárom is het hart voor mij een onuitputtelijke bron van liefde. Omdat het de doorgang is naar het leven zelf.

En het leven zelf is ook liefde.

Er is een boeddhistische meditatie, tonglen, waarbij je als het ware de pijn van de wereld inademt en compassie en vrede uitademt. Bij elke inademing accepteer je de ellende, nodig je de ellende uit: alles wat er fout gaat, alles wat pijn doet. Je zet je hart ervoor open. En bij elke uitademing laat je liefde, zachtheid en welbehagen uitstromen naar de wereld.

Er zijn weleens mensen die protesteren: het is toch niet goed voor je om pijn naar je toe te trekken?

Nee, als je alle ellende naar je hoofd haalt en er eindeloos over gaat nadenken, kan dat je inderdaad overweldigen. Maar tonglen gaat over iets anders. Je durft de pijn te voelen en laat daar compassie uit ontstaan.

Want het hart is een transformator. Het verandert een aardse ervaring in een spirituele kwaliteit.

Osho, de Indiase wijsgeer, zei het ongeveer zo: neem de misère in je op en laat haar in je hart veranderen in gelukzaligheid.

Je hart is groot genoeg voor alle pijn.

Juist omdat het hart zo’n bovenpersoonlijk wonder is en toegang geeft tot het leven zelf, kan het pijn omvormen tot liefde.

Maar de soort liefde waarover ik het heb, is geen emotie. Liefde als emotie is eerder hechting, begeerte, fascinatie. Dat is een golf die opkomt en weer verdwijnt.

Spirituele liefde is een staat van bewustzijn.

Met als kenmerk:

Alles mag er van mij zijn zoals het is.

Als alles er mag zijn, precies zoals het is, dan ben je in een staat van liefde.

Dat kun je ook bij jezelf nagaan. Als er iemand is die het helemaal goed vindt dat jij bent zoals je bent, dan voel je je geliefd. Maar als die persoon zegt: “Ja, ik wil best met je omgaan, maar dan moet je wel eerst veranderen,” dan weet je: dat voelt niet als liefde.

De liefde van je hart betekent dat je innerlijk zo groot wordt, zo ruim, zo wijd, dat de hele wereld daarin kan, precies zoals ze is. Dat je compassie kunt voelen voor alles en iedereen.

Dat is onvoorstelbaar voor ons denken, maar niet voor ons hart.

Dat soort liefde betekent natuurlijk niet dat je werkloos toekijkt terwijl er dingen fout gaan. Natuurlijk doen we alles wat we kunnen om ons eigen leven mooier, echter en vriendelijker te maken. En natuurlijk helpen we waar dat nodig en mogelijk is.

Maar de uitgangspositie is dat grote toestaan. Dat toelaten. Dat accepteren dat het nu is zoals het is.

En dat heb je ook nodig om echt van je eigen lichaam te houden.

Precies zoals het nu is.

Wat er vervolgens door die liefde allemaal gaat veranderen in je lijf, weten we niet.

En dat is ook helemaal prima.

Daar is ons hart dus voor. En volgens mij is eigenlijk ons hele leven daarvoor. Het gaat uiteindelijk niet om het bereiken van ego-doelen. Het gaat erom dat we van de pijn van het leven – van alles wat pijn doet – liefde maken. Door erin te ontspannen. Door de pijn toe te laten. Door ons hart ervoor te openen.

We leven in een cultuur die behoorlijk algofobisch is geworden: bang voor pijn. Pijn moet meteen weg. Fysieke pijn, emotionele pijn – we willen er zo snel mogelijk vanaf. We zoeken een pil, afleiding, verdoving, een oplossing. Pijn moet worden onderdrukt, bestreden, weggetoverd.

En ik geef toe: er is helemaal niks fijns aan pijn. Je moet zeker geen extra pijn gaan toevoegen. Er is al meer dan genoeg pijn in de wereld.

Maar pijn is er nu eenmaal. En als je alle pijn wilt verdoven of onderdrukken, mis je een groot deel van het leven.

Wat je inmiddels van mij weet – en wat je zelf misschien ook weleens hebt ervaren – is:

Mijn hart is groot genoeg voor alle pijn.

Als je volwassen bent, kun je dat gaan ontdekken. Het is misschien zelfs een soort definitie van volwassen worden: Aha. Ik begrijp dat ik de pijn niet meer hoef weg te toveren. Ik kan hem toelaten. En mijn hart kan er compassie van maken. Liefde. Geduld. Begrip. Tolerantie.

Als we ons hart blijven beschermen tegen pijn, verstikken we het als het ware. Dat kun je soms zelfs aan een lichaam zien: de schouders trekken naar voren, de borstkas sluit zich, alsof het lichaam zich om het hart heen vouwt.

Je kunt ook het tegenovergestelde doen. Je nek lang maken, je hoofd rechtop dragen en je borstkas ruimte geven.

Dan word je wat kwetsbaarder.

Je kunt je voorstellen dat er een kroon op je hoofd staat. Dan moet je je hoofd wel rechtop houden, anders valt die kroon op de grond. En die kroon is meteen symbolisch. Als je je bewustzijn gaat verbinden met je gevoel, als je de prins en de prinses in jezelf laat trouwen, dan word je een koningin of een koning. Dan word je soeverein.

Dus hou van je hart.

Maar dan echt, hè.

Geef het ruimte. Zet het open. Laat het openbreken.

Ontspan in het leven zoals het is.

Neem er de tijd voor. Heb geduld. Je hebt je hele leven de tijd.

We komen zover als we komen.

En dat is precies goed.

Tot de volgende aflevering.