Ik geloof niet in het hyper-positieve verhaal van sommige techbro’s dat AI alle problemen zal oplossen, ziekten uitbannen enzovoort. Maar ook niet in het schrikbeeld: AI wordt onze ondergang, de Machine is de vijand.
Volgens mij zal AI pas echt een zegen voor de mensheid zijn als we een ontwikkelingssprong maken, maar dat is ook meteen het goede nieuws: dat het ons min of meer dwingt om die sprong te maken.
Er zijn meer mensen die deze kant op denken – ik zag bijvoorbeeld in een krant onlangs een verhaal over hoe sollicitatiebrieven onbelangrijk worden, omdat steeds meer mensen ze laten schrijven door ChatGPT of Claude, en iemand zegt in dat artikel: “Het menselijke wordt eigenlijk alleen maar belangrijker door AI.”
Dat denk ik ook, op de langere termijn, en dat zeggen meer mensen, maar er zit volgens mij ook een spirituele kant aan het verhaal: we móeten wel betere mensen worden, want alle problemen die AI veroorzaakt en nog kan veroorzaken komen doordat het egoïsme, winstbejag en machtswellust vergroot tot onmenselijke, onhoudbare proporties.
Het gevaar is al eeuwenlang voorzien door kunstenaars. Zoals jullie waarschijnlijk weten doe ik graag aan mythosofie: ik zie in mythen een waarheid of wijsheid die uit het collectieve onderbewuste (of bovenbewuste) komt.
In de oudheid was de mythische oer-vijand van de mens de grote slang of draak. Zij symboliseerde de schaduw van het matriarchaat: dierlijke, vraatzuchtige voortplantingsdrang. Mythosofisch gezien was die draak verslagen, zo ergens aan het eind van de Middeleeuwen toen vrouwen kuisheid omarmden en het patriarchaat op stoom kwam; niemand geloofde meer in draken, ze werden sprookjesdieren.
In de eeuwen daarna verscheen er langzaam maar zeker een nieuwe vijand, de machine/robot/android.
De laatste hoofdstukken van mijn boek De onverzadigbare vrouw (en de afwezige man) gaan daarover. De eerste nieuwe verhalen zijn somber – alles gaat mis. In het toneelstuk R.U.R. uit 1921 waar het woord robot vandaan komt (‘Rossum’s Universal Robots’) nemen de robots de wereld over en vernietigen ze de mensheid. In Ira Levin’s beroemde boek The Stepford Wives vervangen de mannen hun vrouwen door robots. Blade Runner was al even naargeestig, en in Terminator I is de robot alleen maar slecht en moordzuchtig. Om maar een paar iconische voorbeelden te noemen.
De robot is een symbool voor alles wat onmenselijk is, gevoelloos, geprogrammeerd, star, afstandelijk en schijnbaar perfect. De mannelijke kwaliteiten – rationalisme, intellect, orde, beheersing – die in het patriarchaat de overhand hadden gekregen op de vrouwelijke – natuur, gevoel, lichamelijkheid – zijn te ver doorgeschoten. Daarom lijdt onze tijd ook vooral onder de typisch mannelijke schaduw: zielloosheid, innerlijke afwezigheid. Met robots zijn we nog meer mans.
Maar in Terminator II zie je iets nieuws: de goede robot gespeeld door Schwarzenegger werpt zichzelf in een brandende afgrond en redt daarmee de mensheid.
(Terzijde: A Chasm of Fire, een brandende afgrond, is toevallig de titel van een boek van Irina Tweedie, die het pijnlijke proces beschreef waarin ze door een Soefi meester geleid werd naar zelfrealisatie).
In de Matrix-trilogie zie je aan het eind nog duidelijker wat er gevraagd wordt: Neo vecht tegen Agent Smith die sterker is dan hij en Smith vraagt waarom hij blijft vechten, want hij weet toch dat hij niet kan winnen? Neo antwoordt: ‘Because I choose to’. Hij vecht door tot hij niet meer kan, tot er alleen nog overgave is en hij sterft. En precies dan is het gevaar geweken en heeft hij toch gewonnen. Hij kiest dus bewust tegen het automatisme, en voor het bezielde, menselijke, zelfs al kost hem dat zijn leven: hij wil dit.
Er is een offer nodig, een vrijwillig zelfoffer. En als je het mythosofisch bekijkt, hebben we allemaal iets in onszelf op te offeren.
Wat?
Alles wat niet vrijwillig, bewust en autonoom is, het robot-achtige in onszelf. Juist AI maakt glashelder wat dat is: de neiging om automatisch, onbewust, imiterend en met oogkleppen op vooruit te stormen naar een ego-doel zoals winst en macht.
Minder mans, meer mens.
Nu wordt steeds belangrijker wat wel menselijk is: oorspronkelijkheid en creativiteit. Idealisme. Autonomie en verantwoordelijkheid. Spirituele kwaliteiten als opofferingsgezindheid, bewustzijnsverruiming, zelfoverstijging. De mogelijkheid die ons gegeven is om níet volautomatisch te grijpen naar wat we begeren, het begrip aparigraha uit het boeddhisme. Plus: aanvoelingsvermogen, empathie, en ik denk dat er ook meer aandacht zal komen voor wonderlijke menselijke vermogens zoals telepathie en helderziendheid, helderhorendheid, helderwetendheid, als AI ons ontlast van routine-denkwerk.
Natuurlijk maken we brokken, we maken altijd brokken, zonder brokkenmakerij geen spannend verhaal. Maar ik vertrouw erop dat het ‘de mens’, lees ons, gaat lukken, omdat het de mens in die nieuwe mythe al is gelukt.
En omdat de richting van de menselijke evolutie toch altijd is naar meer complexiteit en diversiteit, naar meer diepgang en morele vooruitgang, kort gezegd beschaving.
Anders is het leven gewoon niet interessant genoeg.
Maar ja, nou nog even doen hè, dat offer brengen, die robot in onszelf in het vuur gooien. Hoe beter we dat doen, hoe minder gevaarlijk AI voor ons wordt en hoe meer we eraan hebben. En we doen allemaal mee, dat moet wel, door bewustzijnsgroei, door innerlijke ontwikkeling naar autonomie en verantwoordelijkheid.
Je kunt het ook kort samenvatten: door volwassen te worden.