Hoe word je een heel mens?

Lang, lang geleden, op mijn 18e, was ik au pair in Oxford, Engeland, bij een oude Russische professor en zijn vrouw, de Katkovs. Ik had een vriendje, Kevin, een tengere jongen met lange paardenstaart, die literatuur studeerde aan een van de Oxfordse colleges. In zijn vrije tijd was hij hippie, net als zijn über-hippe huisgenoten. Ze rookten veel hash maar discussieerden ook over fascinerende onderwerpen zoals de rol van het onderbewuste. Ik vond alles prachtig, zat erbij met ogen en oren op steeltjes. Een van hun grote idolen (naast Jerry Garcia van de Grateful Dead) was de Zwitserse psychiater Carl Gustav Jung. Zijn beroemdste boek was verplichte kost, Memories, Dreams, Reflections, we lazen het in het Engels.
Op een dag mochten Kevin en ik komen borrelen bij de Katkovs, een grote eer. Verlegen zaten we in de studeerkamer van de professor en we probeerden volwassen en belezen over te komen. Dus Kevin bracht het gesprek op Jung.
“Ah, Jung!” riep professor Katkov uit. En met rollende Russische erren: “The grrreat charrrlatan!”
Verschrikt veranderden we van onderwerp.Jung bleef ik toch altijd zien als een groot licht, een baken van kennis over persoonlijke groei. Fascinerend vond ik het idee dat elke vrouw een innerlijke man in haar onderbewuste heeft zitten, haar animus, en elke man een innerlijke vrouw, zijn anima, en dat je meestal verliefd wordt op iemand die lijkt op die innerlijke tegenpool, dat onbewuste stuk in jezelf. Ik begreep dus toen al min of meer dat ik verliefd was op Kevin omdat ik in hem bewonderde wat ik in mezelf nog te ontwikkelen had, zoals zijn welbespraaktheid, zijn creativiteit en de moed om onconventioneel te zijn.
Die bewondering was overigens niet wederzijds. Een van Kevin’s uitspraken kwetste me zo dat ik het nooit vergeten ben: hij vond het prettig aan mij dat ik zo gewóón was, zo middelmatig. “Nobody will ever write a book about you.”
Na een paar jaar gaf ik hem de bons.
De boeken die ik daarna schreef, gingen steeds meer over mijzelf…In de loop van je volwassen leven kun je bewust het proces van individuatie aangaan en de eigenschappen in jezelf ontwikkelen die nog sluimeren, waarvoor je altijd dacht dat je een ander nodig had. Dan word je een heel mens. Als vrouw word je dan meestal ook een stuk moediger, bereid om risico’s te nemen voor je innerlijke vrijheid. En een man die dit proces aangaat wordt zorgzamer, richt zich meer dan vroeger op liefde en verbinding.
Dat thema reist al mijn hele volwassen leven met me mee.Maar nu las ik een boek dat een ander licht werpt op Jung.
Het boek heet Maria Moltzer, ondertitel De beginjaren van de analytische psychologie. Maria Moltzer was een Nederlandse vrouw uit een welgesteld Amsterdams milieu, die aan het begin van de 20e eeuw in Zürich ging wonen, compagnon werd van Jung en uitgroeide tot een van de pioniers van de psychoanalyse. Haar achternicht Maya Schepers schreef het boek om haar oudtante Maria Moltzer alsnog de eer te geven die haar toekomt.
Jung, de grote held van mijn jonge jaren, komt er in haar boek niet zo best af. Je moet hem zien in zijn tijd natuurlijk, maar niet alleen genoot hij volop van de aanbidding van zijn vrouwelijke fans – ongetwijfeld was Maria ook verliefd op hem, dat was vrijwel elke vrouw in die kring – maar hij knoopte ook nogal wat buitenechtelijke liefdesrelaties aan, zelfs met jonge cliëntes, terwijl zijn echtgenote de kinderen opvoedde (en alles betaalde, ze kwam uit een rijke familie).
Misschien wist professor Katkov meer dan wij, destijds?Wat me in het boek het meest trof, was dat mijn favoriete thema heelheid door innerlijke vereniging van het mannelijke en het vrouwelijke zo te lezen vooral bij Maria Moltzer vandaan kwam. Zij was bewust bezig met persoonlijke groei door haar mannelijke kant te ontwikkelen, terwijl Jung in die beginjaren meer geïnteresseerd was in types, zeg maar mensen in hokjes plaatsen. Maria probeerde zijn aandacht te krijgen voor haar ideeën, maar hij keerde zich steeds meer van haar af.
Ze bleef trouw aan haar eigen inzichten, hoezeer ze ook leed onder het gebrek aan erkenning. “Ik ben ook maar een mens met een missie,” schreef ze klaaglijk aan een vriendin. In haar laatste jaren zou ze afstandelijk zijn geweest, streng en excentriek.Wat mij nog het diepst trof in het boek was wat Schepers schrijft over Maria’s levenswerk. “Het is een werk van bevrijding: als een man de vrouw die haar eigen roeping volgt niet wil of kan begrijpen, dan roept de vrouw het mannelijke in zichzelf naar boven. De boodschap is dat ieder mens – iedere vrouw – met de nodige inspanning ‘naar het midden’ kan bewegen, en zo als individu alleenstaand, compleet kan zijn.”Duidelijker dan ooit doet me dit beseffen dat ik juist door het mislukken van mijn liefdesrelaties de mens geworden ben die ik nu ben. En eigenlijk kun je dan niet meer van mislukking spreken. Het belangrijkste is juist wel gelukt.

 

Eén antwoord op “Hoe word je een heel mens?”

  1. O wat leuk Lisette!

Geef een reactie